Wat gebeurt er met mij als ik me laat leiden door mijn innerlijke stem, en mijn handen langzaam loskomen van alles wat de buitenwereld ooit van mij vroeg? Die vraag raakt me steeds dieper, alsof iets in mij zegt: nu mag het.

Afbeelding door Erik Voncken
Als kind heb ik me steeds meer afgestemd op wat er buiten mij gebeurde. Niet omdat mijn binnenwereld tekortschoot, maar omdat de buitenwereld een kracht had die ik als kind nog niet kon dragen. De wereld om mij heen bepaalde, vroeg, eiste. Er was weinig ruimte voor de eigenheid van een kind.
Ik paste me aan, omdat ik voelde dat de mensen die mij iets oplegden, geen ruimte hadden in zichzelf om te leven wat ze diep vanbinnen voelden. Ze waren hun eigen bron kwijtgeraakt. Het was hen ooit te pijnlijk geworden om dichtbij hun gevoel te blijven. En alles wat daaraan herinnerde – zelfs de openheid van een kind – werd te confronterend voor hen.
Als kind stond ik nog dicht bij die innerlijke plek. Ik droeg de taal van het hart nog in mijn hele lichaam. En dat raakte hun onmacht. Niet omdat ze het kwaad wilden, maar omdat ze niet konden omgaan met wat ze ooit moesten wegstoppen.
Het was het onvermogen om gevoelens te delen.
Het onvermogen om woorden te geven aan wat er in hen leefde.
Het onvermogen om werkelijk gezien te worden, zelfs door zichzelf.
En aan deze mensen leerde ik me aanpassen.
Niet om mezelf te verliezen, maar juist om mezelf te beschermen.
Mijn gevoelens waren me dierbaar, zonder dat ik wist waarom. Ik voelde alleen: hier zit iets van mij dat niet mag breken.
Mijn gevoelens waren de bouwsteentjes van mijn ware Zelf.
Klein nog, kwetsbaar nog, maar helder aanwezig.
Als ik een bouwsteentje in de schaduw zette, werd een deel van mij onzichtbaar. En ik wilde niet onzichtbaar worden, ook al wist ik toen nog niet hoe ik zichtbaar moest zijn.
Mijn aanpassing was dus geen zwakte.
Het was mijn manier om heel te blijven in een wereld die zelf verdeeld was.
En ergens in mij klonk altijd die ene zin:
“Wacht maar tot ik groot ben.”
Toen ik uiteindelijk groot werd, ben ik mijn aanpassingen één voor één gaan openvouwen. Het voelde alsof ik pakketjes opende waar ik als kind mijn gevoelens zorgvuldig in had opgeborgen. Ik keek erin, ik herkende mezelf, ik gaf alles opnieuw een plek.
Dat proces was intens.
Ik zag wat de wereld met mij had gedaan.
Ik zag hoe mensen elkaars licht doven uit angst voor hun eigen schaduw.
Ik zag hoe waarheid wordt omzeild, hoe mensen elkaar sturen, hoe subtiel macht verweven kan zijn met onmacht.
Het voelde soms alsof ik jarenlang met een taal geleefd had die niet de mijne was. Alsof ik een systeem had leren verstaan dat nooit uit liefde was ontstaan. Het had een rauw randje, een donkerte die ik herkende, maar die nooit echt van mij was.
Toen ik me hiervan losmaakte, voelde het alsof ik uitstapte uit iets dat me klein gehouden had. Alsof ik een wereld achter me liet waar ik te lang in had geleefd zonder te weten dat ik eruit kon.
En ja, ik voelde me even medeplichtig.
Omdat ik had meegebogen.
Omdat ik had gezwegen.
Omdat ik hun manier van beschermen had gespiegeld in mijn eigen manier van overleven.
Zij beschermden hun innerlijke delen door te duwen, te eisen, te sturen.
Ik beschermde de mijne door stil te worden, voorzichtig, meegaand.
Maar het was dezelfde beweging: niet kunnen laten zien wat er van binnen speelt.
En in dat besef werd ik mild.
Ik zag hun pijn.
Ik zag mijn eigen pijn.
En ik bracht de delen die ik “goed” en “kwaad” had genoemd bij elkaar, IN mij.
Niet om het te verklaren, maar om het te helen.
Door dat te doen, verdween mijn angst om mijn gevoelens te laten spreken. Ik had immers gezien dat ik één van hen was geweest. En vanuit dat besef kon ik hen aanraken in hun verborgen licht – zonder oordeel.
Liefde raakt liefde aan, zelfs waar ze lang verstopt lag.
Nu is er iets in mij dat zegt: “Het is tijd.”
Tijd om de buitenwereld los te laten als leidraad.
Niet als afwijzing, maar als bevrijding.
Mijn hoofd mag leeg worden.
Mijn denken mag rusten.
Er is genoeg gedacht, genoeg aangepast, genoeg gestreden.
Wat zich van binnenuit aandient, wil nu leven.
Zacht.
Helder.
Eerlijk.
Vanuit mijn eigen bron.
Ik hoef niet meer te wachten tot ik groot ben.
Ik bén groot.
En ik ben thuisgekomen in mezelf.