In juli 2025 publiceerde Ipsos Attitudes to Ageing 2025, een 32 landen tellende Global Advisor Survey. De kernvraag is verrassend simpel en tegelijk behoorlijk onthullend: hoe kijken mensen wereldwijd naar ouder worden, en bewegen die ideeën mee met de realiteit van een langer leven?

Het rapport laat zien dat onze levensverwachting stijgt, maar dat onze mentale tijdlijnen hardnekkig blijven hangen. De wereld vergrijst, maar de sociale verbeelding loopt achter. En precies daar ontstaat frictie: in werk, politiek, wonen, relaties, en in je eigen verwachtingen over wie je straks bent.
Ipsos ondervroeg 23.745 online volwassenen jonger dan 75 in 32 landen. De veldwerkperiode liep van 24 januari tot en met 7 februari 2025.
Gemiddeld zeggen mensen in 32 landen dat “oud” begint op 66 jaar. Dat is opmerkelijk stabiel: het rapport stelt dat die perceptie sinds 2018 nauwelijks is verschoven, ondanks de demografische veranderingen.
Tegelijk verwachten respondenten gemiddeld tot 78 te leven. Dat betekent dat “oud” in de beleving vaak wordt teruggebracht tot een relatief korte periode: 12 jaar.
Er zit iets ongemakkelijks in die rekensom. Als een steeds groter deel van je leven ná je 60e ligt, maar je cultuur die jaren blijft labelen als een smalle eindfase, dan krijg je een maatschappij die die periode slecht benut. Terwijl jij hem juist nog aan het vormgeven bent.
Een van de meest praktische inzichten is hoe slecht mensen demografie kunnen inschatten. Ipsos laat zien dat landen de omvang van de 65 plus groep vaak fors overschatten. Het rapport noemt bijvoorbeeld Mexico: men denkt dat 30% van de bevolking 65 plus is, terwijl het “werkelijke” aandeel rond 8% ligt.
In een grafiek die schattingen naast de werkelijke percentages zet, noteert Ipsos een gemiddelde absolute fout van 10 procentpunt.
Waarom dat ertoe doet, ook als je zelf geen demograaf bent
Omdat beleid, mediaframes en lunchtafelgesprekken vaak beginnen bij een gevoel: “we worden met z’n allen zó oud”. Als dat gevoel structureel overdreven is, ontstaat sneller paniektaal, en dus sneller het idee dat ouder worden vooral een last is, geen levensfase met eigen waarde.
Nederland in die context
In de lijst met landen ligt de gemiddelde schatting voor “hoeveel mensen zijn 65 plus” wereldwijd op 25%. Nederland staat in die tabel bij de landen met een hogere ingeschatte waarde: 29%.
Dat zegt niet direct dat Nederlanders “meer angstig” zijn, maar wel dat het beeld van een relatief “grijs” land stevig aanwezig is.
Dit is misschien de hardste zin in het rapport: 57% zegt niet uit te kijken naar de oude dag. 38% zegt dat wél te doen.
Ipsos voegt daar een patroon aan toe dat je waarschijnlijk herkent: enthousiasme stijgt met inkomen, opleidingsniveau en met afstand tot “echt oud zijn”. Jongere mensen zijn vaker optimistischer dan mensen die dichterbij die grens komen.
Nederland in die context
In de landenrangschikking rond “uitkijken naar je oude dag” staat Nederland in de groep met lagere scores. In de tabel met uitsplitsing naar mannen en vrouwen komt Nederland uit op 30% (mannen) en 30% (vrouwen) die zeggen dat ze er (in sterke of redelijke mate) naar uitkijken.
Dat is geen detail voor een platform als Proudies. Het suggereert dat er in Nederland veel behoefte is aan een nieuw verhaal dat ouder worden minder als aftakeling framet en meer als heroriëntatie. Een derde levensfase waarin je opnieuw kiest.
Ipsos vroeg ook naar de “ideale leeftijd” voor klassieke mijlpalen. Wereldwijd komen er herkenbare gemiddelden uit:
Het rapport vat het scherp samen: zelfs als levensfases langzaam opschuiven, blijft ons idee van “de juiste tijd” vaak achter.
En daar zit precies de bron van veel latere onrust. Als je leven anders loopt — later studeren, later opnieuw beginnen, later verhuizen, later verliefd worden — dan botst je werkelijkheid met een impliciete culturele agenda. Het resultaat is niet alleen logistieke stress, maar ook: schaamte, twijfel, het gevoel dat je “achterloopt”. Terwijl je vaak gewoon leeft.
Een van de meest prikkelende onderdelen: Ipsos vroeg of er een leeftijd is waarop iemand “te oud” wordt voor bepaalde rollen.
Eerst het principe. 29% vindt dat iemand leider van het land kan zijn op elke leeftijd.
Maar zodra mensen wél een grens willen geven, komt er een vrij harde uitkomst: gemiddeld is 61 jaar de leeftijd waarop iemand “te oud” wordt geacht om het leiderschap van een land adequaat uit te oefenen.
Ipsos maakt het concreet: in 16 landen is de huidige leider ouder dan de leeftijd waarop mensen in dat land vinden dat je “te oud” wordt voor die rol.
En het stopt niet bij politiek. Ipsos vroeg ook naar beroepen:
Daarnaast vroeg Ipsos wie zegt: “geen leeftijd is te oud”. Wereldwijd zegt 22% dat over piloot, 22% over chirurg, en 22% over het leger. Voor politiek leiderschap ligt dat dus hoger: 29%.
Wat je hierin ziet, is niet alleen leeftijdsdiscriminatie. Je ziet ook onzekerheid over wat ouder worden betekent in een tijd waarin vaardigheden, gezondheid en vitaliteit veel diverser zijn dan vroeger. Twee mensen van 67 kunnen in de praktijk in compleet verschillende levensfases zitten. Maar ons oordeel blijft vaak werken alsof iedereen hetzelfde pad loopt.
Als je dit rapport leest met Proudies in je achterhoofd, valt één spanning op die alles aanraakt:
We leven langer. We blijven langer actief. Maar het collectieve script is nog steeds:
leren als je jong bent, pieken rond je 30e, afbouwen na je 60e.
Ipsos laat zien dat die tijdlijn nog steeds in hoofden zit — zelfs als de realiteit al lang iets anders vertelt. En dan is het eigenlijk logisch dat zoveel mensen níet uitkijken naar later. Je kijkt niet uit naar een fase die je cultureel hebt geleerd te zien als een krimpversie van jezelf.
De kans is dus niet alleen medisch of economisch, maar cultureel: een nieuw verhaal, met nieuwe rolmodellen, nieuwe routes, en een breder idee van “op tijd”.