We zijn partner, ouder, grootouder, vriend, collega, mantelzorger of vrijwilliger. Maar wat gebeurt er met deze sociale rollen wanneer we ouder worden? Nieuw onderzoek laat zien dat onze identiteit na ons zestigste verrassend stabiel blijft. Toch verschuiven er enkele accenten: werk en zorgtaken verliezen aan gewicht, terwijl vriendschappen juist belangrijker worden.

Wanneer iemand met pensioen gaat, verdwijnt er meer dan een volle agenda. Ook een deel van de dagelijkse identiteit kan wegvallen. Je bent niet langer vanzelfsprekend de manager, de verpleegkundige, de docent of de collega bij wie iedereen even binnenloopt.
Tegelijkertijd kunnen andere rollen meer ruimte krijgen. Misschien word je een intensiever betrokken grootouder. Je hervindt een oude vriendschap, gaat vrijwilligerswerk doen of merkt dat je relatie een andere invulling krijgt.
Dat roept een interessante vraag op: veranderen onze sociale rollen werkelijk sterk wanneer we ouder worden? Of blijven de mensen en verbanden die belangrijk voor ons zijn grotendeels hetzelfde?
Een nieuwe longitudinale studie, gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Ageing & Society, onderzocht precies dat. De onderzoekers volgden duizenden Zweedse volwassenen gedurende vier jaar en keken niet alleen welke sociale rollen zij hadden, maar vooral hoeveel betekenis zij aan iedere rol gaven.
Een sociale rol is de positie die iemand binnen een relatie, groep of samenleving inneemt. Denk aan de rol van partner, ouder, vriend, broer of zus, werknemer, vrijwilliger of mantelzorger.
Zulke rollen bepalen niet alleen wat we doen. Ze beïnvloeden ook hoe we onszelf zien. Op de vraag Wie ben ik? antwoorden veel mensen immers niet met een opsomming van karaktereigenschappen, maar met de relaties en verantwoordelijkheden die hun leven vormgeven: ik ben moeder, echtgenoot, vriendin, ondernemer of vrijwilliger.
De onderzoekers maken daarbij een belangrijk onderscheid. Er is een verschil tussen het aantal rollen dat iemand heeft en de waarde die iemand eraan toekent. Twee mensen kunnen allebei ouder, partner en vriend zijn, terwijl die rollen in hun persoonlijke identiteit een heel verschillende plaats innemen.
Ook kan een rol op zichzelf belangrijk blijven, maar relatief minder centraal worden doordat een andere rol aan betekenis wint.
Voor het onderzoek werden gegevens gebruikt uit de Zweedse HEARTS-studie, een langlopend onderzoek naar gezondheid, ouder worden en de overgang naar pensionering.
De deelnemers beantwoordden in 2019, 2020 en 2023 vragen over negen sociale rollen. Daaronder vielen partner, ouder, grootouder, broer of zus, vriend, werknemer of voormalig werknemer, mantelzorger, vrijwilliger en actief lid van een vereniging of organisatie.
Bij iedere rol gaven zij aan hoe belangrijk die op dat moment in hun leven was, op een schaal van één tot vijf. Voor de uiteindelijke analyses waren gegevens beschikbaar van 3.882 deelnemers. Bij de eerste meting waren zij gemiddeld bijna 67 jaar oud; gedurende het onderzoek bevonden zij zich grofweg tussen hun 64ste en 74ste levensjaar.
De deelnemers hadden aan het begin gemiddeld 6,6 van de onderzochte rollen. Iets meer dan drie rollen werden als zeer belangrijk beschouwd. De gemiddelde waardering van alle rollen lag boven de vier op een schaal van vijf. Vooral de rollen van partner, ouder, grootouder en vriend kwamen vaak voor en kregen veel betekenis.
Het beeld dat ouder worden automatisch gepaard gaat met een snelle afname van sociale betrokkenheid wordt door deze studie niet bevestigd.
Tussen 2019 en 2023 nam het gemiddelde aantal rollen wel iets af, van ongeveer 6,6 naar 6,5. Ook het aantal rollen dat deelnemers als zeer belangrijk beschouwden daalde licht. De gemiddelde waardering van hun rollen veranderde echter nauwelijks.
Dat is misschien wel de belangrijkste uitkomst: in deze levensfase bleken de sociale fundamenten van het bestaan behoorlijk stabiel.
Vier jaar kan in deze periode veel veranderingen brengen. Mensen stoppen met werken, krijgen te maken met gezondheidsproblemen, verliezen soms een partner of nemen juist nieuwe zorgtaken op zich. Toch bleef de persoonlijke betekenis van de meeste rollen opvallend constant.
De onderzoekers spreken daarom niet over een ingrijpende verschuiving, maar over kleine veranderingen binnen een overwegend stabiel patroon.
De rollen binnen het gezin en de familie behielden gedurende het onderzoek een centrale plaats. Partner, ouder en grootouder bleven voor veel deelnemers zeer belangrijk.
Dat betekent niet dat familierelaties onveranderlijk zijn. De praktische invulling kan juist sterk verschuiven. Ouders van volwassen kinderen zijn doorgaans minder verantwoordelijk voor de dagelijkse verzorging, terwijl zij op een andere manier steun, gezelschap of advies kunnen bieden. Grootouders kunnen intensief betrokken zijn bij kleinkinderen, maar ook op afstand een betekenisvolle band onderhouden.
De uitkomsten suggereren dat de vorm van een familierol kan veranderen zonder dat de onderliggende betekenis verdwijnt. Je hoeft niet dagelijks voor iemand te zorgen om jezelf sterk als ouder of grootouder te blijven ervaren.
Familie lijkt daarmee voor veel mensen een betrekkelijk duurzaam onderdeel van hun identiteit te vormen.
Een van de interessantste bevindingen betreft de rol van vriend. De absolute waardering van vriendschap veranderde niet spectaculair, maar ten opzichte van andere rollen werd zij geleidelijk belangrijker.
Dat is goed te begrijpen. Werk zorgt tijdens een groot deel van het volwassen leven bijna automatisch voor ontmoetingen, gesprekken en een gevoel van verbondenheid. Na pensionering vallen veel van die dagelijkse contacten weg. Vriendschappen buiten het werk kunnen daardoor een centralere plaats krijgen.
Bovendien zijn vriendschappen meestal vrijwillige relaties. Anders dan familiebanden worden ze niet uitsluitend bepaald door afkomst of formele verplichtingen. Mensen kiezen ervoor tijd en aandacht aan elkaar te besteden. Juist wanneer andere vaste structuren verdwijnen, kan die vrijwillige verbondenheid extra waardevol worden.
Ook de relatieve betekenis van vrijwilligerswerk nam gedurende de onderzochte periode iets toe. Mogelijk bieden zulke activiteiten niet alleen een nuttige tijdsbesteding, maar ook nieuwe sociale contacten, erkenning en het gevoel ergens bij te horen. De studie bewijst die verklaring niet, maar de verschuiving past wel bij de bredere zoektocht naar betrokkenheid en zingeving na het werkzame leven.
De duidelijkste daling werd gevonden bij de rol van werknemer of voormalig werknemer. Dat is niet verrassend: een groot deel van de deelnemers ging in deze periode met pensioen of was al gestopt met werken.
Toch is het verdwijnen van een werkrol niet uitsluitend een praktische verandering. Werk geeft structuur aan de week, brengt mensen samen en levert waardering, status en het gevoel nodig te zijn. Wanneer dat wegvalt, kan ook de vraag ontstaan wie je bent zonder je beroep.
De studie laat zien dat de werkidentiteit gemiddeld minder centraal wordt. Dat lijkt erop te wijzen dat veel mensen hun zelfbeeld geleidelijk aanpassen en andere rollen meer ruimte geven. Het oude beroep hoeft niet volledig te verdwijnen uit de identiteit, maar wordt minder bepalend.
Ook de rol van mantelzorger nam gemiddeld in relatieve betekenis af. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Een zorgperiode kan eindigen, de zorgontvanger kan overlijden of professionele hulp kan taken overnemen. De onderzoekers konden op basis van deze gegevens niet vaststellen welke gebeurtenissen achter de afname lagen.
Belangrijk is bovendien dat minder mantelzorg niet altijd als verlies wordt ervaren. Het einde van een intensieve zorgperiode kan gepaard gaan met verdriet, maar ook met verlichting en nieuwe vrijheid. Achter een gemiddelde daling kunnen dus zeer uiteenlopende persoonlijke verhalen schuilgaan.
De onderzoekers bekeken ook welke mensen meer sociale rollen hadden en meer rollen als belangrijk ervoeren.
Deelnemers met een ondersteunend sociaal netwerk en een betere gezondheid rapporteerden over het algemeen meer rollen. Ook bepaalde persoonlijkheidskenmerken hingen ermee samen. Mensen die hoger scoorden op extraversie, vriendelijkheid en consciëntieusheid hadden gemiddeld meer rollen of hechtten aan meer rollen veel betekenis.
Dat betekent niet dat een teruggetrokken persoon eenvoudigweg “socialer moet worden”. Gezondheid, mobiliteit, inkomen, woonomgeving en de beschikbaarheid van andere mensen bepalen mede hoeveel mogelijkheden iemand heeft om relaties te onderhouden.
Opvallend genoeg kon geen van de onderzochte kenmerken voorspellen bij wie de betekenis van rollen in de loop van de vier jaar sterker zou veranderen. De onderzoekers konden dus wel verschillen tussen mensen beschrijven, maar niet verklaren waarom de ene persoon een grotere verschuiving doormaakte dan de andere.
Het ligt voor de hand te denken dat veel rollen automatisch gunstig zijn. Wie partner, vriend, vrijwilliger, grootouder en verenigingslid is, beschikt mogelijk over verschillende bronnen van gezelschap, waardering en steun.
Maar meer rollen betekenen ook meer verwachtingen en verantwoordelijkheden. Een druk sociaal leven kan voldoening geven, maar eveneens vermoeiend zijn. Zeker wanneer meerdere rollen om zorg, organisatie of emotionele beschikbaarheid vragen.
Dit onderzoek stelde niet vast hoeveel rollen ideaal zijn en onderzocht niet rechtstreeks of deelnemers met meer rollen gelukkiger of gezonder waren. De wetenschappers brachten vooral in kaart welke rollen mensen hadden en hoe belangrijk zij die vonden.
De kwaliteit en persoonlijke betekenis van een rol lijken daarom minstens zo relevant als het aantal. Eén hechte vriendschap kan meer steun bieden dan tien oppervlakkige contacten. Een kleine vrijwilligersrol kan meer voldoening geven dan een overvolle agenda waar iemand vooral verplichtingen in ervaart.
Het doel hoeft niet te zijn om zo veel mogelijk rollen te verzamelen, maar om rollen te behouden of te ontwikkelen die werkelijk passen bij wie je bent en wilt zijn.
Voor pensionering worden financiële berekeningen vaak jaren van tevoren gemaakt. Er wordt nagedacht over inkomen, hypotheek, pensioenopbouw en de gewenste stopdatum.
Veel minder vaak stellen mensen zichzelf vragen als: welke contacten wil ik behouden? Waar haal ik straks structuur uit? Bij welke groep wil ik horen? Waar kan ik mijn ervaring inzetten? En welke kant van mezelf heeft door het werk jarenlang weinig ruimte gekregen?
De studie suggereert dat pensionering niet alleen een financieel en praktisch proces is, maar ook een verschuiving van identiteit. Juist daarom kan het helpen om vóór de laatste werkdag bewust te investeren in relaties en activiteiten buiten het werk.
Dat hoeft niet meteen te betekenen dat iedere lege dag met clubs, cursussen en commissies moet worden gevuld. Een wekelijks wandelmoment, een hernieuwde vriendschap of een bescheiden vrijwilligersactiviteit kan al een nieuw gevoel van ritme en verbondenheid geven.
Familiecontact ontstaat vaak vanzelfsprekend rond feestdagen, verjaardagen en zorgtaken. Voor vriendschappen geldt dat minder. Zeker wanneer mensen verhuizen, met pensioen gaan of gezondheidsproblemen krijgen, vraagt vriendschap om initiatief.
De toenemende relatieve betekenis van de vriendenrol is daarom ook een uitnodiging om vriendschappen niet als vanzelfsprekend te beschouwen. Bel iemand die je te lang niet hebt gesproken. Spreek vaste momenten af. Wacht niet altijd tot de ander het initiatief neemt.
Nieuwe vrienden maken op latere leeftijd kan lastiger lijken, maar nieuwe contacten hoeven niet direct uit te groeien tot diepe vriendschappen. Veel relaties beginnen met herhaling: dezelfde wandelgroep, dezelfde cursus, dezelfde koffietafel of dezelfde vrijwilligerstaak. Bekendheid kan langzaam overgaan in vertrouwen.
De studie kent duidelijke beperkingen. Het gaat om een verkennend onderzoek onder Zweedse volwassenen uit een relatief smalle leeftijdsgroep. De uitkomsten kunnen niet zonder meer worden toegepast op tachtigers en negentigers, op mensen met ernstige gezondheidsproblemen of op ouderen in landen met een heel ander sociaal en economisch stelsel.
Ook vonden de metingen plaats in 2019, 2020 en 2023. De coronapandemie viel dus midden in de onderzoeksperiode en kan invloed hebben gehad op sociale contacten, vrijwilligerswerk en mantelzorg.
Ten slotte waren de meeste gevonden veranderingen klein. De studie toont geen grote sociale omwenteling na het 65ste levensjaar, maar subtiele gemiddelde verschuivingen binnen een diverse groep mensen. Achter die gemiddelden kunnen grote individuele verschillen schuilgaan.
Ouder worden betekent volgens dit onderzoek niet dat onze sociale identiteit langzaam leegloopt. De meeste rollen die belangrijk zijn, blijven dat ook.
Wel vindt er een voorzichtige herschikking plaats. Werk treedt naar de achtergrond. Intensieve zorgtaken kunnen afnemen. Familie blijft een anker en vriendschappen krijgen relatief meer gewicht. Vrijwilligerswerk kan een nieuwe bron van betrokkenheid worden.
Misschien is dat een geruststellende gedachte. We hoeven onszelf na ons werkzame leven niet volledig opnieuw uit te vinden. Maar we mogen wel opnieuw bepalen welke kanten van onszelf aandacht verdienen.
De vraag is dan niet alleen welke rollen verdwijnen, maar ook: voor welke mensen, relaties en activiteiten ontstaat eindelijk meer ruimte?
Dit artikel is gebaseerd op: Jeroen H.M. Janssen, Flavia S. Chereches, Gabriel Olaru, Isabelle Hansson en Yvonne Brehmer, Social roles and role importance in later life: a longitudinal analysis of stability and change, gepubliceerd op 8 juli 2026 in Ageing & Society door Cambridge University Press.