Ik zat aan tafel met onze nieuwe bewoner Nelis, zijn echtgenote Els en zijn dochter Marianne. We zouden 'het goede gesprek' gaan voeren: een gesprek over wat in het heden en verleden zin geeft en gaf aan het leven van Nelis. Nelis onttrok zich aan het gesprek. Niet uit weerzin of koppigheid. Nelis was moe en sliep. De bijbehorende geluiden deden vermoeden dat het geen onaangename slaap was.

"Daar zitten we dan," probeerde ik ons samenzijn af te trappen.
Els en Marianne beaamden mijn constatering.
Ze stelden voor het gesprek toch maar te beginnen. Misschien werd Nelis wel weer wakker. Anders kon ik Nelis altijd nog op een later moment interviewen.
"Ik weet veel van Nelis. We zijn drieënzestig jaar samen. Drieënzestig mooie jaren." De manier waarop Els het had uitgesproken, viel het best te typeren als gelukzaligheid met gepaste weemoed.
"Voor Nelis stonden zijn gezin en zijn werk op nummer één en twee." Els wilde het maar vast gezegd hebben. Marianne dacht dat de volgorde andersom was, wat zeker niet betekende dat Nelis geen goede vader was geweest. We zwegen even. Om daarna door te praten over Nelis' hobby’s "-alles wat met de camping te maken had-" over of religie een belangrijke rol in zijn leven speelde "-Nelis heeft nog nooit een kerk van binnen gezien-" en of we Nelis zouden mogen meenemen voor uitstapjes buiten het verpleeghuis. Dat mocht natuurlijk. Marianne kon zich nog goed de dagjes met Nelis naar Artis herinneren en vooral zijn liefde voor nijlpaard Tanja. Het leek mij buiten de orde van 'het goede gesprek' om op te merken dat Tanja alleen nog in opgezette vorm te bewonderen was.
Nelis bleek te kunnen pieken op het juiste moment en ontwaakte toen ik wilde gaan informeren hoe hij zijn jeugd had ervaren. "Job wil weten of je een fijne jeugd hebt gehad." Enige vocale ondersteuning van Marianne en Els was nodig om de vraag bij Nelis te laten landen. Nelis knikte begrijpend en rechtte - letterlijk - de rug: "Ik heb het heel goed gehad. Mijn ouders gaven me alle vrijheid. Ik mocht doorleren, maar dat wilde ik zelf niet. Op mijn zestiende ben ik gaan werken als stratenmaker. Hard werken, hoor. Nee, geweldige mensen mijn ouwelui. Ik mocht op dansles bij Wimbo Nel. Prachtige tijd gehad. Mijn vader zat bij de fanfare. Er was altijd muziek in huis. Er was altijd warmte. Wist je trouwens dat ik bij Wimbo Nel 'haar' heb leren kennen?" De bijbehorende knik ging in de richting van Marianne. Dochter en moeder hadden een modus gevonden om met de veranderende rollen om te gaan. Iedere vorm van correctie bleef achterwege. Nelis wreef in zijn ogen en dommelde weer langzaam weg. Els en Marianne legden hun hand op elk een schouder van Nelis ter bevestiging dat het goed was.
Het was een kort gesprek geweest.
Maar het had volledig aan de verwachtingen voldaan.
Job van Amerongen werkt als ggz-verpleegkundige in de ouderenzorg (Brentano, Amstelveen) en is columnist bij Proudies en DementieVisie). Meer columns lezen van Job? Klik dan hier.