Er zijn films die zich opdringen, en films die zich nestelen. The Choral, geregisseerd door Nicholas Hytner en geschreven door Alan Bennett, behoort duidelijk tot die tweede categorie: een stille, bedachtzame film die minder mikt op overweldiging dan op een langzaam insijpelen van emotie.

Het verhaal speelt zich af in 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, in een fictief Yorkshire-dorp waar de plaatselijke zangvereniging langzaam leegloopt doordat mannen naar het front vertrekken. In die leegte verschijnt Dr. Guthrie (een ingetogen maar gelaagd gespeelde rol van Ralph Fiennes), een buitenstaander met Duitse sympathieën en een artistieke visie die schuurt met het provincialisme van het dorp.
Wat volgt is geen klassiek underdog-verhaal waarin kunst triomfeert over tegenslag, maar eerder een mozaïek van kleine levens, waarin muziek fungeert als bindmiddel – en soms als schrijnend contrast met de realiteit van verlies en oorlog. De poging om Elgars The Dream of Gerontius op te voeren is minder een doel dan een katalysator voor onderdrukte verlangens, sociale spanningen en morele ambiguïteit.
Hytner en Bennett kiezen opvallend genoeg niet voor de makkelijke emotionele registers. De film vermijdt grotendeels het soort sentimentele catharsis dat je in vergelijkbare Britse kostuumdrama’s zou verwachten. Dat levert momenten op van grote subtiliteit — scènes waarin rouw, verlangen en schaamte slechts half worden uitgesproken — maar ook een zekere afstandelijkheid.
Critici wezen er terecht op dat The Choral soms blijft hangen in een “boilerplate narrative” dat meer diepgang had kunnen gebruiken , of dat het ensembleverhaal diffuus aanvoelt . Tegelijkertijd ligt precies daar ook de charme: de film weigert zich te reduceren tot één centrale plotlijn en kiest in plaats daarvan voor een polyfonie van stemmen — passend voor een film over koorzang.
Het is uiteindelijk het acteerwerk dat de film draagt. Fiennes speelt Guthrie niet als een excentrieke maestro, maar als een man die voortdurend balanceert tussen intellectuele afstand en persoonlijke kwetsbaarheid. Rond hem verzamelt zich een indrukwekkend Brits ensemble (onder anderen Roger Allam en Mark Addy), dat met ogenschijnlijke moeiteloosheid schakelt tussen lichtvoetige humor en existentiële ernst.
De muziek — zowel diagetisch als in de score — is meer dan achtergrond; ze vormt het morele landschap van de film. In een tijd waarin nationale identiteit onder druk staat en anti-Duitse sentimenten hoog oplopen, krijgt de keuze voor Elgar een politieke lading. Muziek wordt hier geen ontsnapping, maar een manier om het onzegbare toch vorm te geven.
Toch is The Choral geen onverdeeld succes. De film lijdt soms onder een gebrek aan focus en een overdaad aan personages, waardoor bepaalde verhaallijnen slechts schetsmatig blijven. Het resultaat is een werk dat meer suggereert dan uitwerkt — wat zowel een kracht als een zwakte is.
Maar misschien is dat precies de bedoeling. Zoals een koor niet bestaat uit één stem, zo weigert The Choral zich te laten reduceren tot één duidelijke boodschap. In plaats daarvan biedt de film een ingetogen reflectie op gemeenschap, kunst en verlies — een film die niet luid zingt, maar zacht blijft nagalmen.
In de geest van een NRC-recensie zou je kunnen zeggen: The Choral is geen film die je overdondert, maar een die langzaam zijn plaats opeist. Onvolmaakt, soms te bedachtzaam, maar gedragen door vakmanschap en een oprechte overtuiging in de kracht van kunst.
Een film als een wintermiddag: koel, stil, maar met een onderhuidse warmte die je pas later volledig voelt.