Er wordt vaak gezegd dat religie onmisbaar is wanneer mensen geconfronteerd worden met hun sterfelijkheid. Alsof zingeving zonder God onmogelijk is. Maar uitgebreid kwalitatief onderzoek onder niet-religieuze ouderen laat een ander, genuanceerder beeld zien. Ook zonder geloof in een hiernamaals blijken mensen in staat om betekenis, rust en morele richting te vinden — juist in de laatste fase van hun leven.

In veel wetenschappelijk en maatschappelijk debat wordt religie gezien als hét antwoord op doodsangst. Dat idee is niet uit de lucht gegrepen. Tal van studies tonen aan dat religie kan helpen bij het omgaan met ziekte, verlies en sterven. Geloof biedt een verhaal: lijden krijgt een plaats, dood wordt een overgang, het leven onderdeel van een groter plan.
Maar dit onderzoek wijst erop dat die conclusie vaak een blinde vlek bevat. De meeste studies vergelijken gelovigen met minder gelovigen — en laten mensen die bewust niet-religieus zijn grotendeels buiten beschouwing. Wat gebeurt er als je juist die groep serieus neemt?
Gedurende meerdere jaren werden bijna honderd niet-religieuze mensen geïnterviewd, grotendeels ouder dan zeventig jaar, sommigen terminaal ziek. Atheïsten, agnosten, humanisten en mensen die zichzelf simpelweg “niet religieus” noemen. De gesprekken vonden plaats in verpleeghuizen, seniorencentra en bij mensen thuis. Niet via vragenlijsten, maar via lange, open gesprekken over hun leven, hun verleden en hun naderende einde.
De centrale vraag: hoe geven mensen zonder religie betekenis aan hun sterfelijkheid?
Vrijwel alle geïnterviewden deelden één uitgangspunt: zij geloven niet dat het individu na de dood voortleeft. Geen hemel, geen ziel die verder reist. En toch bleek dat dit zelden leidde tot wanhoop of nihilisme.
Integendeel. Veel respondenten bleken stevige, samenhangende verhalen te hebben over hun leven en hun plaats in de wereld. Die verhalen functioneerden verrassend vergelijkbaar met religieuze kaders: ze boden samenhang, houvast en morele richting.
De meest voorkomende bron van zingeving bleek… wetenschap. Niet als koude feitenleer, maar als een manier om het leven te begrijpen en te plaatsen.
In deze verhalen zien mensen zichzelf als onderdeel van de natuur en de evolutie. Geboren door toeval, gevormd door omstandigheden, verbonden met alles wat leeft. Het universum heeft geen vooropgezet plan — maar dat betekent niet dat het leven betekenisloos is.
Juist omdat het leven eindig is, krijgt het gewicht.
Wetenschap bood deze ouderen:
Bij het terugblikken op hun leven spraken veel mensen over toeval, geluk en pech — genetisch, sociaal, historisch. Niet alles is maakbaar. Maar hoe je reageert op wat je overkomt, dát doet ertoe.
Vooruitkijkend werd de dood vaak beschreven als een toestand zonder bewustzijn, vergelijkbaar met diepe slaap of narcose. Niet angstaanjagend, maar neutraal. Wat blijft, is niet de persoon zelf, maar wat hij of zij heeft doorgegeven: in kinderen, in relaties, in ideeën, in zorg voor anderen.
Opvallend was dat veel niet-religieuze ouderen juist een sterk ontwikkeld moreel besef hadden. Niet omdat het “moet van boven”, maar omdat zij zichzelf zien als onderdeel van een kwetsbaar geheel.
Zorg voor toekomstige generaties. Aandacht voor natuur en klimaat. Betrokkenheid bij democratie en gemeenschap. Liefde tonen zolang het kan.
Zingeving, zo blijkt, is geen kwestie van geloof of ongeloof — maar van betekenisvolle verhalen die mensen zichzelf vertellen.
Dit onderzoek ondergraaft een hardnekkig stereotype: dat mensen zonder religie leeg, koud of ontheemd zouden zijn bij het naderen van de dood. In werkelijkheid laten deze levensverhalen zien dat betekenis niet verdwijnt wanneer religie wegvalt. Ze verandert van vorm.
Voor een groeiende groep ouderen — ook in Nederland — is dit herkenbaar. Minder dogma, meer reflectie. Minder zekerheid, meer verantwoordelijkheid. Minder belofte van later, meer aandacht voor nu.
Misschien is dat wel een van de belangrijkste lessen: zinvol ouder worden is geen kwestie van wat je gelooft, maar van hoe je betekenis geeft aan het leven dat je hebt geleefd.