AI schrijft teksten, maakt beelden en helpt bij het zoeken naar informatie. Horloges meten onze slaap, auto's nemen steeds meer handelingen over en voor bijna iedere praktische vraag bestaat inmiddels een app. De mogelijkheden zijn enorm. Tegelijkertijd wordt het steeds lastiger om te bepalen welke technologie werkelijk iets toevoegt aan ons leven en welke vooral meer aandacht van ons vraagt.

Wie de afgelopen decennia heeft meegemaakt, heeft waarschijnlijk meer technologische veranderingen gezien dan welke generatie voor ons ook. De vaste telefoon verdween grotendeels uit huis, de wegenkaart uit de auto en de encyclopedie uit de boekenkast. Bankzaken verhuisden naar een scherm, foto's naar de cloud en contact met vrienden en familie naar WhatsApp en videobellen.
Veel van die veranderingen gingen geleidelijk. Je kocht op een gegeven moment een mobiele telefoon, leerde internetbankieren en begon misschien foto's met anderen te delen. Inmiddels ligt het tempo anders. Nieuwe toepassingen volgen elkaar zo snel op dat iets wat een paar jaar geleden nog futuristisch klonk, ineens onderdeel is van het dagelijks leven.
Kunstmatige intelligentie is daar het duidelijkste voorbeeld van. Een programma kan een reis voorbereiden, een brief uitleggen, een tekst corrigeren, een recept bedenken of in enkele seconden informatie samenvatten waar je vroeger een middag voor nodig had.
Dat is handig. Soms zelfs ontzettend handig. Maar juist nu technologie steeds meer taken kan overnemen, wordt het interessant om na te denken over wat je graag uit handen geeft en wat je liever zelf blijft doen.
Het idee dat oudere generaties weinig met technologie hebben, loopt behoorlijk achter op de werkelijkheid.
Volgens het CBS gebruikte in 2025 94 procent van de Nederlanders tussen 65 en 75 jaar internet. Onder 75-plussers was dat 73 procent. In 2012 waren die percentages nog respectievelijk 52 en 16 procent.
Nederland behoort bovendien tot de digitaal vaardigste landen van Europa. Bijna 84 procent van de Nederlanders tussen 16 en 75 jaar beschikte in 2025 over ten minste digitale basisvaardigheden.
Toch betekent digitaal vaardig zijn niet dat iedereen automatisch met iedere nieuwe ontwikkeling meegaat. Dat zie je bijvoorbeeld bij AI. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat in 2025 ongeveer één op de vijf 65-plussers weleens een chatbot had gebruikt. Onder jongvolwassenen lag dat percentage veel hoger.
Dat verschil is niet zo vreemd. Veel technologie wordt pas interessant wanneer je er persoonlijk iets aan hebt. Niemand hoeft een chatbot te gebruiken alleen omdat het bestaat.
Tegelijkertijd gebruiken veel mensen ongemerkt al allerlei vormen van kunstmatige intelligentie. Denk aan gezichtsherkenning op een telefoon, aanbevelingen op Netflix, een navigatiesysteem dat files voorspelt of een camera die automatisch een foto verbetert.
AI is daarmee minder een afzonderlijke uitvinding aan het worden en steeds meer een laag die in andere technologie verdwijnt.
Technologie heeft ons altijd werk uit handen genomen. Een wasmachine bespaart tijd, een rekenmachine voorkomt eindeloos hoofdrekenen en navigatie zorgt ervoor dat we niet bij iedere afslag de kaart hoeven open te vouwen.
Ook ons geheugen leunt al langer op hulpmiddelen. We schrijven afspraken op, bewaren telefoonnummers in onze telefoon en zoeken informatie op zodra we die nodig hebben. Onderzoekers noemen dat cognitive offloading: denkwerk buiten jezelf plaatsen zodat er ruimte ontstaat voor andere dingen.
AI gaat daarin een stap verder. Het kan niet alleen informatie bewaren of terugvinden, maar ook meedenken, formuleren en selecteren.
Onderzoekers van Microsoft en Carnegie Mellon onderzochten in 2025 hoe kenniswerkers generatieve AI gebruikten. Zij zagen dat mensen aangaven minder kritisch denkwerk te verrichten wanneer zij veel vertrouwen hadden in de antwoorden die AI gaf. Dat betekent niet dat AI ons vanzelf minder scherp maakt. Wel laat het zien dat het uitmaakt hóé we zulke systemen gebruiken.
Wie een chatbot gebruikt om een ingewikkeld onderwerp beter te begrijpen, kan er juist veel van leren. Wie ieder antwoord zonder controle overneemt, besteedt misschien meer uit dan bedoeld.
Daar zit waarschijnlijk de interessantste afweging. Sommige dingen willen we juist gemakkelijker maken. Niemand hoeft uit principe een middag te besteden aan een ingewikkelde handleiding als dezelfde informatie in vijf minuten duidelijk kan worden uitgelegd.
Andere dingen hebben juist waarde doordat we ze zelf doen.
Een tekst schrijven kan helpen om je gedachten te ordenen. Een boek helemaal lezen is iets anders dan de samenvatting kennen. Zelf een route zoeken kan ervoor zorgen dat je een omgeving beter leert kennen.
Niet alles wat inefficiënt is, is daarmee tijdverspilling.
In discussies over technologie gaat het vaak over schermtijd, verslaving en eenzaamheid. Dat zijn terechte zorgen, maar ze vertellen niet het hele verhaal.
Digitale technologie kan juist veel betekenen voor contact met anderen. Families die verspreid wonen, zien elkaar via videobellen. Vriendengroepen blijven via WhatsApp verbonden. Via online communities vinden mensen elkaar rond interesses die in hun directe omgeving misschien minder vanzelfsprekend zijn.
Een in 2025 gepubliceerde studie onder oudere volwassenen vond bijvoorbeeld een verband tussen vaker sociaal internetgebruik en minder eenzaamheid. Een mogelijke verklaring was vrij praktisch: internet maakte het eenvoudiger om contact te onderhouden.
Ook op andere terreinen kan technologie zelfstandigheid vergroten. Navigatie maakt het makkelijker om ergens alleen naartoe te gaan. Digitale zorg kan contact met een arts laagdrempeliger maken. Gehoorapparaten worden slimmer, horloges kunnen een val signaleren en spraakbesturing kan uitkomst bieden wanneer bedienen met de handen moeilijker wordt.
Het nut van technologie zit dus lang niet altijd in iets spectaculairs. Vaak zit het juist in kleine vormen van gemak en zelfstandigheid.
Er zit wel een verschil tussen technologie die we vrijwillig gebruiken en technologie waaraan nauwelijks nog te ontkomen valt.
Bankieren, belastingzaken, parkeren, tickets boeken, medische afspraken maken en contact met allerlei organisaties verlopen steeds vaker digitaal. Voor wie daar moeite mee heeft, kan dat behoorlijk frustrerend zijn.
Daarom blijven digitale vaardigheden belangrijk. Niet omdat iedereen enthousiast hoeft te zijn over technologie, maar omdat zelfstandig kunnen functioneren steeds vaker betekent dat je een aantal digitale basiszaken onder de knie moet hebben.
Het Sociaal en Cultureel Planbureau wees er in 2025 op dat digitalisering niet alleen draait om vaardigheden. Ook de gevolgen voor sociale samenhang verdienen aandacht. Wanneer steeds meer contact tussen mensen, bedrijven en overheid via systemen verloopt, verandert er namelijk iets in de manier waarop we met elkaar omgaan.
Een loket waar iemand tegenover je zit, werkt anders dan een formulier. Een telefoongesprek is iets anders dan een chatbot. Soms is digitaal sneller en prettiger. Soms verdwijnt er iets wat juist belangrijk was.
Dat is geen argument om terug te gaan naar vroeger. Wel om niet automatisch aan te nemen dat digitaal altijd beter is.
Buiten de technologie die min of meer noodzakelijk is, bestaat gelukkig een groot gebied waarin we zelf kunnen kiezen.
Je hoeft geen smartwatch te dragen omdat anderen hun stappen tellen. Je hoeft niet op ieder sociaal platform actief te zijn. Een apparaat hoeft niet vervangen te worden omdat er een nieuwer model verschijnt. En wie geen behoefte heeft aan een chatbot, mist niet automatisch iets essentieels.
Het Rathenau Instituut pleit in onderzoek naar een menswaardige digitale samenleving voor meer aandacht voor waarden als autonomie, privacy en veiligheid. Technologie moet niet alleen worden beoordeeld op wat technisch mogelijk is, maar ook op de vraag of een toepassing wenselijk is.
Dat klinkt groot, maar het begint heel klein.
Welke meldingen laat je binnenkomen? Hoe vaak wil je bereikbaar zijn? Welke gegevens wil je delen? Welke apparaten hebben daadwerkelijk een functie in huis?
Juist nu technologie steeds gemakkelijker wordt, kan bewust níét gebruiken een vorm van digitale vaardigheid zijn.
Ons digitale leven voelt opvallend licht. Foto's staan ergens 'in de cloud', een film begint onmiddellijk en een vraag aan een chatbot lijkt niet veel meer te kosten dan een paar woorden typen.
Achter dat gemak zit echter een enorme fysieke infrastructuur.
Datacenters bevatten duizenden servers die elektriciteit gebruiken en gekoeld moeten worden. Chips vragen grondstoffen en ingewikkelde productieprocessen. Telefoons, laptops, televisies en andere apparaten worden uiteindelijk afval.
Volgens het Internationaal Energieagentschap waren datacenters in 2024 verantwoordelijk voor ongeveer 1,5 procent van het wereldwijde elektriciteitsverbruik. De verwachting is dat hun elektriciteitsvraag richting 2030 meer dan verdubbelt, mede door de snelle groei van AI.
Ook water speelt een rol. Sommige datacenters gebruiken grote hoeveelheden water voor koeling. Hoe groot die impact precies is, hangt sterk af van de locatie, het klimaat en het gebruikte systeem.
Daarnaast groeit de hoeveelheid elektronisch afval. De Global E-waste Monitor berekende dat in 2022 wereldwijd 62 miljoen ton elektronisch afval ontstond. Nog geen kwart daarvan werd aantoonbaar op een goede manier ingezameld en gerecycled. Zonder verandering kan de hoeveelheid richting 2030 oplopen tot 82 miljoen ton.
Het maakt een ogenschijnlijk kleine keuze — een telefoon nog een jaar langer gebruiken, iets laten repareren, niet ieder nieuw apparaat aanschaffen — ineens onderdeel van een veel groter verhaal.
Daar staat tegenover dat dezelfde technologie ook kan helpen bij verduurzaming.
Slimme systemen kunnen energieverbruik verminderen, logistiek efficiënter maken en verspilling tegengaan. AI wordt gebruikt bij klimaatonderzoek, weersvoorspellingen en het slimmer aansturen van elektriciteitsnetwerken. Videobellen kan reizen overbodig maken.
Ook hier bestaat dus geen eenvoudige regel.
Een digitale toepassing kan energie gebruiken én elders energie besparen. Een nieuw apparaat kan grondstoffen kosten én iemand helpen langer zelfstandig thuis te wonen.
Daarom heeft het weinig zin om technologie simpelweg als goed of slecht te behandelen. De omstandigheden bepalen veel.
Misschien is dat uiteindelijk de grootste verandering.
Lange tijd draaide digitale ontwikkeling vooral om leren omgaan met nieuwe apparaten. Hoe werkt een computer? Hoe stuur ik een e-mail? Hoe gebruik ik DigiD?
Die praktische kennis blijft nodig, maar er komt iets naast te staan.
We moeten steeds vaker bepalen welke rol technologie in ons leven krijgt.
Waar maakt ze iets werkelijk makkelijker? Waar helpt ze om zelfstandig te blijven? Waar brengt ze plezier of contact? En waar levert een toepassing vooral meer prikkels, abonnementen, updates en afhankelijkheid op?
Technologie zal de komende jaren niet langzamer ontwikkelen. Waarschijnlijk wordt ze juist minder zichtbaar. AI zal steeds vaker gewoon ingebouwd zitten in auto's, telefoons, zoekmachines, huishoudelijke apparaten en zorgsystemen.
We hoeven daardoor niet allemaal technologie-expert te worden.
Nieuwsgierig blijven helpt. Een beetje begrijpen wat er gebeurt ook. Maar misschien is het minstens zo belangrijk om af en toe te besluiten dat iets voor jou geen verbetering is.
Een brief mag zelfgeschreven zijn. Een wandeling mag zonder telefoon. Een apparaat mag oud worden. En niet iedere minuut hoeft efficiënter.
Vooruitgang betekent tenslotte niet dat alles wat mogelijk wordt ook een plek in ons leven moet krijgen.
Voor dit artikel zijn onder meer cijfers en onderzoeken gebruikt van het CBS over internetgebruik, digitale vaardigheden en AI in Nederland; het Sociaal en Cultureel Planbureau over digitalisering en sociale samenhang; het Rathenau Instituut over menswaardige technologie, privacy en autonomie; Microsoft Research en Carnegie Mellon University over generatieve AI en kritisch denken; het International Energy Agency over energiegebruik door datacenters en AI; UNEP over de milieu-impact van datacenters; en ITU/UNITAR voor de Global E-waste Monitor 2024.