Je herkent het waarschijnlijk. Je opent een streamingdienst, kiest een film, kijkt hem uit en een week later weet je nog nauwelijks waar hij over ging. Niet omdat hij slecht was, maar omdat hij nergens echt bleef haken. Hij leek op iets wat je al kende. Misschien zelfs op meerdere dingen tegelijk.

De Amerikaanse cultuurhistoricus W. David Marx probeert in Blank Space: A Cultural History of the Twenty-First Century te verklaren waarom dat gevoel zo wijdverbreid is. Zijn centrale gedachte: er wordt niet minder cultuur gemaakt dan vroeger, maar cultuur heeft haar richting verloren. We leven in een tijd van overproductie en ondervernieuwing.
Dat klinkt tegenstrijdig. Nog nooit verschenen er zoveel series, podcasts, boeken en muziek. En toch is het moeilijk een tijdperk te herkennen aan zijn stijl.
Denk aan eerdere decennia.
De jaren zestig: protestliederen en psychedelica.
De jaren tachtig: synthesizers en MTV.
Maar wat is de culturele signatuur van de jaren 2010 of 2020?
Het antwoord blijft vaak vaag.
Volgens Marx komt dat doordat cultuur niet langer in duidelijke generaties beweegt. In de twintigste eeuw zette elke nieuwe lichting zich af tegen de vorige. Punk tegen disco. Minimalisme tegen overdaad. Vernieuwing ontstond uit weerstand.
Nu gebeurt dat nauwelijks nog.
Niet omdat mensen minder creatief zijn, maar omdat alles tegelijk beschikbaar is. Je kunt vandaag luisteren naar muziek uit 1967 en 1997 alsof die gisteren verscheen. Je kijkt dezelfde series als iemand die veertig jaar jonger of ouder is.
Leeftijd bepaalt je smaak minder.
En daardoor verdwijnen ook de breuklijnen die vroeger nieuwe stijlen voortbrachten.
Cultuur beweegt niet meer in schokken, maar in een brede, langzaam stromende rivier.
Daar komt technologie bij. Streamingdiensten en sociale platforms tonen je vooral wat waarschijnlijk bevalt. Verrassing is economisch riskant.
Je krijgt dus variaties op wat je al mooi vond.
Een serie lijkt tegelijk op een thriller, een familiedrama en een romantisch verhaal, zodat niemand afhaakt. Voor producenten logisch. Voor cultuur minder vruchtbaar.
Waar kunst ooit tegen je in ging, loopt ze nu vaker met je mee.
Vroeger bestond er een herkenbare culturele middenlaag: makers die breed bekend waren zonder overal dominant te zijn. Die ruimte wordt kleiner.
Je hebt nu wereldwijde hits
of kleine niches
maar minder gedeelde ervaringen daartussen.
Daardoor kijk je misschien veel, maar praat je er minder over. Iedereen volgt zijn eigen stroom. Het gesprek versplintert.
Cultuur is overal aanwezig en tegelijk minder gemeenschappelijk.
Als je meerdere decennia bewust hebt meegemaakt, voel je het verschil scherper. Niet uit nostalgie, maar uit vergelijking. Je weet hoe een boek of album ooit een periode kon markeren. Hoe iets wekenlang bleef rondzingen.
Nu volgt het volgende al voordat het vorige bezinkt.
Volgens Marx vormt cultuur daardoor minder je identiteit. Ze begeleidt je leven minder en vult het vaker op. Niet elk werk wil nog iets veranderen — het wil vooral je aandacht even vasthouden.
Maar precies daar ontstaat ook ruimte.
De conclusie van Blank Space is minder somber dan ze lijkt. Cultuur is niet verdwenen: ze is persoonlijker geworden.
Vroeger beleefde je dezelfde verhalen als de rest.
Nu moet je zelf zoeken wat betekenis heeft.
Dat vraagt meer aandacht, maar geeft ook vrijheid.
Misschien merk je daarom dat je anders gaat kijken en lezen: minder om bij te blijven, meer om geraakt te worden. Je kiest het kleine theater, het onbekende boek, de film die niet bovenaan staat.
Niet omdat het moet.
Maar omdat je wilt voelen dat iets ertoe doet.
De lege ruimte waar Marx over schrijft blijkt dan geen leegte.
Het is stilte.
En juist in stilte kun je weer horen wat werkelijk bij je past.