Toen je twintig was, leek 2026 een vastomlijnd punt in de toekomst. Ver genoeg om groot te dromen. Dicht genoeg om het serieus te nemen. Het was een jaartal met belofte, met glans. Je zag het voor je: steden op meerdere lagen, glazen torens verbonden door loopbruggen, en ja: zwevende auto’s. Niet als sciencefiction, maar als vanzelfsprekendheid. Net zo gewoon als een rijbewijs.

De toekomst was technisch, strak en vooral: efficiënt. Problemen zouden worden opgelost. Tijd zou worden gewonnen. Het leven zou lichter worden, letterlijk en figuurlijk.
En nu is het 2026.
Je staat niet op een landingsplatform te wachten tot je voertuig zachtjes naar beneden daalt. Je staat in de file. Of je zit op de fiets. Of je loopt, met een telefoon in je hand die meer weet dan jijzelf ooit zult onthouden. De auto zweeft niet — jij scrolt.
Als je terugdenkt aan hoe je je de wereld voorstelde toen je twintig was, dan ging het zelden over gevoelens. Het ging over dingen. Over vooruitgang die je kon aanwijzen. Over technologie die zichtbaar was. Sneller vervoer. Minder werk. Meer vrije tijd.
Robots zouden het huishouden doen. Kantoren zouden verdwijnen. Werk zou creatief zijn of helemaal niet meer nodig. Iedereen zou slimmer worden, rustiger misschien ook, omdat machines de last zouden dragen.
De toekomst was maakbaar. En vooral: overzichtelijk.
Wat je niet voorzag, was dat vooruitgang zich niet zou aandienen als een heldere sprong voorwaarts, maar als een constante stroom. Dat technologie niet vooral iets zou toevoegen, maar iets zou overnemen: aandacht, geheugen, ritme.
Er kwamen geen zwevende auto’s. Maar er kwam wel een wereld waarin alles altijd aanstaat.
Je draagt nu een apparaat bij je dat tegelijk agenda, encyclopedie, camera, routeplanner, sociaal podium en moreel kompas is. Het vertelt je waar je moet zijn, wat je moet denken, wat anderen vinden, en hoe laat je moet ademen om beter te slapen.
Je kunt in seconden praten met iemand aan de andere kant van de wereld. Je kunt werken zonder kantoor, leren zonder klaslokaal, kopen zonder winkel. Dat is geen kleine prestatie. Dat is, objectief gezien, indrukwekkend.
Maar het voelt zelden futuristisch. Het voelt druk.
Wat je toen ook niet zag aankomen, is dat de grootste verandering niet technisch zou zijn, maar mentaal.
De toekomst heeft je geen extra tijd gegeven — ze heeft je tijd versnipperd. Ze heeft momenten opgedeeld in notificaties. Aandacht in tabbladen. Rust in iets wat je moet plannen.
Toen je twintig was, dacht je bij vooruitgang aan meer: meer mogelijkheden, meer vrijheid, meer ruimte. In 2026 merk je dat de echte luxe juist zit in minder. Minder prikkels. Minder moeten reageren. Minder vergelijken.
De digitalisering heeft veel gebracht. Zeker. Ze heeft kennis gedemocratiseerd, stemmen hoorbaar gemaakt, deuren geopend die vroeger gesloten bleven. Maar ze heeft ook iets anders gedaan: ze heeft de grens tussen binnen en buiten vervaagd. Werk en privé. Nieuws en mening. Jij en de rest.
Je bent altijd bereikbaar. En daardoor soms minder aanwezig.
Toch is het te makkelijk om nostalgisch te worden. Om te zeggen: vroeger was het beter. Dat is zelden waar. Het was vooral anders.
De twintigjarige jij onderschatte de complexiteit van vooruitgang. En overschatte misschien het spektakel. De toekomst bleek geen sciencefictiondecor, maar een subtiele herinrichting van het dagelijks leven.
Misschien is dat wel volwassen worden: beseffen dat grote veranderingen niet altijd gepaard gaan met grootse beelden. Dat ze zich nestelen in routines. In hoe je leest. Hoe je praat. Hoe je kijkt.
Vind je de digitalisering een zegen?
Voelt ze als vooruitgang — omdat je meer kunt, meer weet, meer bereikt?
Of voelt ze soms ook als een verlies — van aandacht, van traagheid, van het recht om even niet mee te doen?
Misschien is het eerlijke antwoord: allebei.
En misschien is dat de échte toekomst die je toen niet kon bedenken. Geen wereld van zwevende auto’s, maar een wereld waarin je elke dag opnieuw moet kiezen hoe je technologie gebruikt — en hoeveel ruimte je haar geeft.
De toekomst is er. Ze is minder spectaculair dan je dacht. Maar ze stelt betere vragen.
En misschien is dat vooruitgang genoeg.