Er is iets verschoven in de manier waarop wij de wereld ervaren. Niet abrupt, maar sluipenderwijs. De werkelijkheid is niet langer iets wat we gezamenlijk vaststellen, maar iets wat ons wordt aangereikt—gepersonaliseerd, gefilterd, en vooral: bevestigd. In dat spanningsveld positioneert Roxane van Iperen zich als een van de scherpste publieke denkers van dit moment.

Als ‘filosoof van de maand’ — in het kader van de Maand van de Filosofie 2026 — schreef zij het essay Ik zie wat ik geloof. Het is geen geruststellende tekst, eerder een diagnose van een tijdperk dat zijn ankerpunten verliest.
Van Iperen opent haar essay met een stelling die blijft haken: we leven niet langer in een gedeelde werkelijkheid. Wat ooit een collectieve ervaring was, is uiteengevallen in talloze individuele werelden, gevormd door algoritmes en platforms.
De omkering die zij beschrijft, niet langer ik geloof wat ik zie, maar ik zie wat ik geloof, markeert volgens haar een fundamentele breuk met de erfenis van de Verlichting. Rede is niet verdwenen, maar gecommercialiseerd. Waar waarheid ooit een streven was, is ze nu een dienst.
Die analyse raakt aan een breder filosofisch probleem: als waarheid subjectief wordt, wat blijft er dan over van het ‘wij’?
Het jaarthema van de filosofiemaand (Ken onszelve) is geen toevallige keuze. In een tijd waarin identiteit fluïde en gefragmenteerd is, wordt de vraag naar een collectief ‘wij’ urgenter dan ooit.
Van Iperen sluit aan bij een traditie waarin ook denkers als Michel Foucault het ‘wij’ beschrijven als een constructie, gevormd door macht en kennis. Maar waar Foucault analyseert, lijkt Van Iperen te willen ingrijpen.
Zij stelt impliciet de vraag: als technologie onze werkelijkheid mede bepaalt, wie bepaalt dan de grenzen van gemeenschap?
Het meest prikkelende deel van het essay is misschien wel haar beschrijving van Big Tech als een nauwelijks zichtbare, maar uiterst effectieve macht. Niet door dwang, maar door gemak worden we gestuurd. We klikken, scrollen, bevestigen en denken ondertussen autonoom te handelen.
Het is een klassieke paradox in moderne vorm: hoe vrij zijn we nog als onze voorkeuren worden voorgevormd?
Van Iperen schetst geen complot, maar een systeem. Een systeem waarin aandacht de valuta is, en werkelijkheid het product. Daarmee schuift haar essay richting politieke filosofie: het gaat niet alleen over kennis, maar over macht.
Opvallend is dat Van Iperen niet vervalt in cultuurpessimisme. Haar essay is kritisch, soms zelfs alarmistisch, maar niet zonder richting. Zij zoekt naar “vluchtroutes”: manieren om opnieuw een gedeelde werkelijkheid te construeren.
Dat vraagt volgens haar om meer dan mediageletterdheid. Het vraagt om herwaardering van het publieke debat, van gezamenlijke ervaringen, en misschien zelfs van twijfel, een kwaliteit die in een tijd van algoritmische zekerheid zeldzaam is geworden.
Voor een platform als Proudies, dat zich richt op reflectie, verdieping en het goede leven, is Van Iperens essay meer dan een filosofische exercitie. Het is een uitnodiging tot bewustzijn.
Wie zijn wij, als onze werkelijkheid steeds meer op maat wordt gemaakt?
Wat delen we nog, als ieder zijn eigen waarheid beleeft?
En misschien wel de belangrijkste vraag: hoe blijven we met elkaar in gesprek als we niet langer hetzelfde zien?
Van Iperen biedt geen definitieve antwoorden. Maar precies daarin schuilt de kracht van haar essay. Het dwingt tot nadenken — niet alleen over technologie, maar over onszelf.
In een tijd waarin alles beschikbaar is, wordt het schaars om nog iets werkelijk te delen. Ik zie wat ik geloof laat zien dat die schaarste niet toevallig is, maar structureel.En dat maakt Roxane van Iperen tot een filosoof van deze tijd: iemand die niet alleen beschrijft wat er gebeurt, maar ons ook confronteert met wat er op het spel staat.