In haar nieuwe roman trekt Deborah Levy naar Parijs in het gezelschap van een schrijver die al tachtig jaar dood is. Gertrude Stein blijkt geen rustig onderwerp. Ze dringt zich op, spreekt tegen en maakt van een ogenschijnlijk licht verhaal over vriendschap een geestige zoektocht naar de vraag hoe je jezelf telkens opnieuw samenstelt.

Gertrude Stein is een van die namen die je kunt kennen zonder ooit een boek van haar te hebben gelezen. Je ziet haar misschien voor je zoals Picasso haar schilderde: zwaar in de stoel, het gezicht bijna een masker, de blik zelfverzekerd vooruit.
Of je kent de kamer om haar heen. In haar Parijse woning aan de rue de Fleurus hingen werken van kunstenaars die nog lang niet overal serieus werden genomen. Picasso kwam er, Matisse ook, net als schrijvers als Ernest Hemingway en F. Scott Fitzgerald. Op Steins zaterdagavonden ontmoetten enkele van de belangrijkste kunstenaars en schrijvers van het modernisme elkaar.
Toch is er iets merkwaardigs gebeurd met haar nalatenschap. Stein bevindt zich vaak midden in het verhaal, maar wordt alsnog via de mannen om haar heen herinnerd. Deborah Levy draait dat in haar nieuwe boek om. De kunstenaars mogen even naar de achtergrond. De vrouw die keek, verzamelde, schreef en haar eigen regels maakte, komt naar voren.
In Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein probeert een naamloze verteller een essay over Stein te schrijven. Ze kent de feiten. Stein studeerde psychologie, begon aan een medische opleiding en vertrok uiteindelijk naar Parijs. Daar bouwde ze met haar levenspartner Alice B. Toklas een bestaan op dat even eigenzinnig was als haar werk.
Maar feiten brengen de verteller niet dichter bij de vrouw over wie ze schrijft. Hoe meer ze leest, hoe minder houvast ze lijkt te krijgen. Stein trekt haar aan en werkt haar op de zenuwen. Haar taal is speels, herhalend en soms bijna ondoordringbaar. Ze lijkt door haar lezer gevonden te willen worden, om zich een zin later alweer terug te trekken.
Ondertussen gaat het gewone leven verder. De verteller wandelt door Parijs met haar vriendinnen Eva en Fanny. Evaβs kat is zoek en haar echtgenoot lijkt eveneens van het toneel verdwenen. Fanny heeft een baan in de financiΓ«le wereld en een liefdesleven waarin drie minnaars om aandacht vragen. Er wordt gekookt, geruzied, gelezen en gezocht.
Dat klinkt als het begin van een luchtige Parijse komedie, en soms is het dat ook. Levy laat grote vragen graag binnenkomen via een keukentafel, een mislukte afspraak of een verdwenen huisdier. Ernst hoeft bij haar zelden plechtig te worden.
Onder de Engelse titel staat nadrukkelijk A Fiction. Dat kleine onderschrift is belangrijk. Levy schrijft geen traditionele biografie van Stein. Ze maakt ook geen historische roman waarin een beroemde vrouw keurig tot leven wordt gewekt. Het boek beweegt tussen essay, fictie, literaire kritiek en iets wat op een persoonlijk dagboek lijkt.
De verteller heeft veel van Levy, maar is niet simpelweg Levy. De zoektocht naar Stein is echt, maar wordt omringd door verzonnen personages en gebeurtenissen. Daardoor hoeft het boek niet te doen alsof een mensenleven volledig te begrijpen valt. Het mag nieuwsgierig blijven.
Dat past goed bij Stein. Ze wilde taal niet alleen gebruiken om de wereld te beschrijven. Ze wilde met woorden iets doen wat schilders als Picasso en Matisse met vorm en perspectief deden. De werkelijkheid moest uit elkaar, zodat je opnieuw kon kijken. Haar zinnen kunnen daardoor bevrijdend en irritant tegelijk zijn.
Levy probeert dat ongemak niet glad te strijken. Ze maakt van Stein geen voorbeeldige heldin. Haar zelfvertrouwen kan omslaan in arrogantie en haar taal kan binnen één bladzijde betoveren en afstoten. Juist doordat Levy haar onderwerp niet volledig bewondert, wordt het boek levend. Een schrijver kan je ook beïnvloeden doordat je je tegen haar verzet.
Hier krijgt het boek een onverwachte verwantschap met de derde levensfase. Zowel Stein als Levy schrijft over vrouwen die niet langer bereid zijn hun leven volgens een geleend verhaal te leiden. Ze vertrekken, beginnen opnieuw, zoeken andere vriendschappen en veranderen de vorm waarin ze werken.
Stein publiceerde het boek waarmee ze bij een groot publiek doorbrak, The Autobiography of Alice B. Toklas, toen ze 59 was. Met een literaire streek schreef ze haar eigen levensverhaal in de stem van haar partner. Zelfs een autobiografie hoefde bij haar niet netjes aan de regels te gehoorzamen.
Ook Levy is geΓ―nteresseerd in de jaren waarin het leven niet kleiner maar beweeglijker kan worden. Haar personages zijn zelden klaar. Ze weten niet precies waar ze thuishoren, wie er bij hen blijft of welke vorm hun werk zal aannemen. Dat gebrek aan zekerheid wordt niet voorgesteld als een tekort. Het is de ruimte waarin iets nieuws kan ontstaan.
Daarmee is Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein geen boek dat je een les over opnieuw beginnen voorschotelt. Gelukkig niet. Het laat iets subtielers zien. Je kunt op iedere leeftijd opnieuw worden opgeschud door een kunstwerk, een stad, een vriendschap of een schrijver die je niet eens helemaal aardig vindt.
Als je houdt van een roman met een stevig plot en een keurig afgerond einde, kan Levy je geduld op de proef stellen. Ze dwaalt, denkt hardop en laat vragen liever open dan dat ze er een conclusie onder zet.
Maar als je graag leest om tijdelijk in het hoofd van een ander te wonen, is dit een rijk en vaak grappig boek. Je hoeft Stein niet vooraf te kennen. Misschien werkt het zelfs beter als je haar samen met de verteller ontmoet: briljant, onmogelijk, aanmatigend en telkens net buiten bereik.
Levy geeft uiteindelijk geen sluitend antwoord op de vraag wie Gertrude Stein was. Ze doet iets interessanters. Ze laat zien wat er gebeurt wanneer de ene schrijver zich lange tijd door een andere laat ontregelen.
β
Bekijk het boek Β· Lees meer over de Engelse uitgave en Deborah Levy Β· Lees over Gertrude Steins Parijse salon
β