Zeven decennia lang verruilde David Hockney het ene medium moeiteloos voor het andere. Van de grauwe straten van Bradford tot de zwembaden van Los Angeles, van Polaroids tot iPadtekeningen: zijn kunst bleef kleurrijk, nieuwsgierig en onvoorspelbaar. Saai werd het werkelijk nooit.

Er zijn kunstenaars van wie één beeld zich voorgoed in het collectieve geheugen nestelt. Bij David Hockney is dat beeld een zwembad: strakblauw water, een modernistische villa, twee palmen en een witte explosie van schuim. De zwemmer is al onder water verdwenen; alleen de plons is nog zichtbaar. In A Bigger Splash uit 1967 bevroor Hockney een fractie van een seconde en maakte hij van een vluchtige gebeurtenis een modern icoon.
Maar wie Hockney uitsluitend met Californische zwembaden vereenzelvigt, ziet maar een klein deel van zijn oeuvre. Hij was schilder, tekenaar, graficus, fotograaf en decorontwerper. Hij werkte met olie- en acrylverf, etsen, Polaroids, faxapparaten, computers, iPhones en iPads. Steeds wanneer een techniek vertrouwd begon te worden, leek hij zichzelf een nieuwe vraag te stellen: kunnen we hiermee anders kijken?
Hockney overleed op 11 juni 2026, 88 jaar oud. Zijn loopbaan omspande zeven decennia — van rebelse studentenwerken in het naoorlogse Engeland tot monumentale digitale landschappen uit de jaren 2020.
David Hockney werd in 1937 geboren in Bradford, West Yorkshire, als vierde van vijf kinderen. Aan de Bradford School of Art kreeg hij een traditionele opleiding waarin tekenen naar de waarneming centraal stond. In 1959 vertrok hij naar het Royal College of Art in Londen, waar hij al snel opviel door zijn virtuositeit, humor en weigering zich aan één stijl te onderwerpen. Zijn deelname aan de tentoonstelling Young Contemporaries bracht hem aan het begin van de jaren zestig in verband met de opkomende Britse popart.
Toch was Hockney nooit simpelweg een popartkunstenaar. De consumptiemaatschappij interesseerde hem minder dan mensen, verlangen en de vraag hoe een plat vlak ruimte, tijd en intimiteit kan bevatten. Zijn vroege schilderijen verwezen openlijk naar homoseksuele liefde, in een periode waarin seks tussen mannen in Engeland nog strafbaar was. Daarmee waren ze niet alleen persoonlijk, maar ook moedig en maatschappelijk tegendraads.
Toen Hockney in 1964 voor het eerst Los Angeles bezocht, vond hij er een wereld die het tegenovergestelde leek van het industriële Bradford: licht, ruimte, moderne architectuur, zongebruinde lichamen en privézwembaden. Hij begon met acrylverf te werken, waarvan de heldere, egale kleuren perfect pasten bij het felle Californische licht. De zwembaden werden bij hem geen simpele symbolen van luxe. Het waren oefeningen in kijken: hoe schilder je transparant water? Hoe geef je beweging weer op een onbeweeglijk doek? Hoe schilder je een weerspiegeling die tegelijk oppervlak en diepte is?
In A Bigger Splash is de architectuur bijna onnatuurlijk stil. De horizontale lijnen van huis, terras en zwembad worden slechts verstoord door de grillige waterpluim. Die tegenstelling maakt het schilderij zo onweerstaanbaar: orde en chaos, stilte en geluid, afwezigheid en lichamelijke aanwezigheid bestaan er op hetzelfde moment.
Naast de zwembaden behoren Hockneys portretten tot zijn meest geliefde werken. Hij schilderde zelden vreemden. Zijn modellen waren ouders, vrienden, geliefden, medewerkers en kunstenaars die hij bewonderde. Sommigen tekende of schilderde hij tientallen jaren lang, waardoor zijn oeuvre ook een kroniek werd van vriendschap, ouder worden en verlies.
Zijn portretten zijn helder gecomponeerd, maar nooit oppervlakkig. Mensen zitten vaak zwijgend naast elkaar, ieder verzonken in een eigen gedachtewereld. In de beroemde dubbelportretten uit de jaren zestig en zeventig vertellen houdingen, lege ruimten, ramen en meubels minstens zoveel als de gezichten. Hockney maakte geen vluchtige gelijkenissen; hij observeerde hoe mensen zich tot elkaar en tot een ruimte verhielden.
Dezelfde kleine kring van modellen keerde steeds terug: zijn moeder Laura, textielontwerper Celia Birtwell, curator Gregory Evans en drukker Maurice Payne. Door hen door de jaren heen opnieuw te tekenen, legde hij niet alleen hun veranderende uiterlijk vast, maar ook de duur van zijn relatie met hen.
Daarin ligt een van Hockneys grote kwaliteiten. Zijn kleuren konden uitbundig zijn, maar zijn blik was geduldig. Onder de schijnbare vrolijkheid van zijn werk bevindt zich vaak een stille melancholie: het besef dat lichamen ouder worden, geliefden vertrekken en ieder zonnig moment voorbijgaat.
Hockney vertrouwde het klassieke éénpuntsperspectief niet. Een schilderij waarin alle lijnen naar één verdwijnpunt lopen, vond hij te star voor de manier waarop mensen werkelijk zien. Onze ogen bewegen; ons hoofd draait; we lopen door een ruimte en bouwen uit verschillende momenten één ervaring op.
In de jaren tachtig onderzocht hij dat idee met zijn zogeheten joiners: collages die uit tientallen of soms honderden afzonderlijke foto’s bestonden. Hij fotografeerde een persoon, kamer of landschap vanuit licht verschillende posities en voegde de afdrukken vervolgens samen. Zo ontstond een beeld dat tegelijk vertrouwd en ontregeld was. Een stoel kon vanuit meerdere hoeken zichtbaar zijn; een weg leek zich voor de kijker uit te vouwen; tijd werd onderdeel van de compositie.
Werken als Pearblossom Hwy. waren dus geen grote legpuzzels, maar kritiek op de gewone fotografie. Een camera registreert één standpunt en één ogenblik. Hockney wilde tonen dat kijken een proces is. Zijn fotocollages onderzoeken daarom niet alleen ruimte, maar ook tijd, beweging en herinnering.
Waar andere kunstenaars nieuwe technologie soms wantrouwden, reageerde Hockney er doorgaans met enthousiasme op. Toen de iPad in 2010 verscheen, begon hij vrijwel onmiddellijk op het scherm te tekenen. Het apparaat bood hem iets wat hij altijd had gezocht: directheid. Hij kon met zijn vinger of een stylus tekenen, kleuren onmiddellijk veranderen en een beeld versturen zodra het klaar was.
De techniek veranderde, maar zijn onderwerpen bleven verrassend traditioneel: bloemen, bomen, ochtendlicht, vrienden en het uitzicht uit een raam. Hockney gebruikte de nieuwste middelen niet om futuristisch te lijken. Hij gebruikte ze om eeuwenoude onderwerpen opnieuw te bekijken.
Tijdens zijn latere jaren schilderde hij de seizoenen in Yorkshire en vervolgens in Normandië. Hagen, kronkelwegen, boomgaarden en wolken kregen onnatuurlijke paarse, roze en oranje tinten, maar voelden juist daardoor intens waargenomen. Voor Hockney was kleur geen decoratie. Kleur was een manier om aandacht uit te drukken.
West Yorkshire bleef zijn hele leven een inspiratiebron. In de jaren 2000 maakte hij van de omgeving rond Bridlington en Woldgate monumentale landschappen, alsof gewone landwegen en bosranden even groot en belangrijk waren als historische of Bijbelse taferelen.
Ook buiten het doek bleef Hockney experimenteren. Hij ontwierp kleurrijke decors voor toneel en opera, waaronder producties van The Magic Flute, Tristan und Isolde en Turandot. In zijn laatste jaren werkte hij bovendien met digitale projecties en immersieve tentoonstellingen, waarin bezoekers zich letterlijk tussen zijn landschappen konden bewegen.
Toch was al die vernieuwing nooit een doel op zichzelf. Onder de zwembaden, fotocollages, theaterdecors en digitale bloesems lag steeds dezelfde overtuiging: kijken is geen passieve handeling. Wie werkelijk kijkt, merkt dat de wereld voortdurend verandert.
Met zijn overlijden verloor de kunstwereld niet alleen een van de beroemdste Britse kunstenaars van zijn generatie, maar ook een onvermoeibare verdediger van aandacht, schoonheid en artistieke vrijheid. Zijn nalatenschap bestaat niet uit één herkenbare stijl. Ze ligt juist in zijn weigering om stil te blijven staan.
David Hockney was uitbundig zonder lichtzinnig te zijn, populair zonder gemakzuchtig te worden en vernieuwend zonder zijn liefde voor tekenen en schilderen te verliezen. De jongen uit Bradford vond vrijheid onder de Californische zon, keerde terug naar de velden van Yorkshire en bleef tot op hoge leeftijd nieuwe vensters op de wereld openen.
Hij is er niet meer, maar zijn uitnodiging blijft bestaan: kijk nog eens. Kijk beter. De wereld is kleurrijker dan je denkt.
Altijd levendig. Altijd nieuwsgierig. En werkelijk nooit saai.