Je herkent het misschien. Een naam die net buiten bereik blijft. Een gedachte die trager op gang komt dan vroeger. Niet zorgwekkend, maar voelbaar. Het hoort bij ouder worden, wordt vaak gezegd. En toch klopt dat verhaal niet helemaal.

Aan Harvard Medical School en Massachusetts General Hospital buigen onderzoekers zich al jaren over een intrigerende vraag: waarom blijven sommige mensen op hoge leeftijd mentaal opvallend scherp, terwijl bij de meesten het geheugen langzaam maar zeker minder wordt?
Ze noemen deze groep ‘super-agers’. Mensen van zeventig, tachtig of ouder, wier geheugen zich kan meten met dat van veel jongere volwassenen. Geen uitzonderlijke genieën, geen mensen zonder rimpels of levenservaring, maar ouderen bij wie het brein zich nauwelijks lijkt te laten intimideren door de tijd.
Wat er normaal gesproken gebeurt in het brein, is goed gedocumenteerd. Naarmate je ouder wordt, krimpt het brein licht. Niet pathologisch, niet te vergelijken met dementie, maar wel merkbaar. De communicatie tussen hersengebieden verloopt minder efficiënt. Taken die ooit vanzelf gingen, zoals focussen, multitasken of nieuwe informatie onthouden, kosten meer moeite.
Dat zegt Alexandra Touroutoglou, neurowetenschapper en assistent-professor neurologie, die al jaren onderzoek doet naar super-agers. Samen met collega’s volgt zij deze groep nauwgezet, met behulp van MRI en fMRI-scans, cognitieve testen en langlopende studies.
Belangrijk is wat dit níét is. Het gaat niet over Alzheimer of andere vormen van dementie. Het gaat over normaal ouder worden en de variatie daarin. Over het verschil tussen licht verval en opmerkelijke veerkracht.
Wat de onderzoekers keer op keer zien, is dat super-agers zich onttrekken aan dat verwachte patroon. Hun geheugen blijft sterk. Hun prestaties op geheugentests zijn vergelijkbaar met die van jongvolwassenen. En dat zie je terug in hun brein.
In eerdere studies ontdekten de onderzoekers dat super-agers een opvallend dikke hersenschors hebben. Niet alleen in klassieke geheugengebieden, maar verspreid over grote delen van het brein. Ook de hippocampus, een kerngebied voor geheugen, blijkt bij hen groter dan bij leeftijdsgenoten.
Die fysieke kenmerken zijn geen toevalligheid. Hoe dikker de cortex en hoe groter de hippocampus, hoe beter het geheugen presteert. Structuur en functie blijken nauw met elkaar verbonden.
Maar het verhaal stopt daar niet.
Hersengebieden werken niet als losse eilanden. Ze vormen netwerken, die voortdurend informatie uitwisselen. En juist die verbindingen worden kwetsbaarder met de jaren.
Ook daar wijken super-agers af van de norm. Hun hersennetwerken communiceren efficiënter dan die van andere ouderen. In scans zijn ze nauwelijks te onderscheiden van jonge volwassenen. De informatieverwerking verloopt soepeler, sneller, doelgerichter.
Dat brengt ons bij een opvallende ontdekking uit recenter onderzoek.
In een studie met functionele MRI keken de onderzoekers in real time naar de activiteit van de visuele cortex. Dat deel van het brein speelt een cruciale rol in geheugen, omdat het bepaalt hoe scherp en onderscheidend informatie wordt verwerkt.
Normaal gesproken reageren specifieke groepen neuronen selectief op wat je ziet. Gezichten, landschappen, objecten. Die selectiviteit helpt om herinneringen helder op te slaan en later terug te halen.
Met het ouder worden vervaagt die scherpte. Neuronen worden minder kieskeurig. Alles lijkt meer op elkaar. Het gevolg: herinneringen worden diffuser en lastiger terug te vinden.
Bij super-agers gebeurde dat niet.
Hun visuele cortex vertoonde hetzelfde hoge niveau van neuronale differentiatie als dat van jonge volwassenen. Hun brein bleef onderscheid maken. Daardoor ontstonden helderdere herinneringen, die makkelijker toegankelijk bleven.
Het is een subtiel mechanisme, maar met grote gevolgen voor hoe je denkt, onthoudt en navigeert door het dagelijks leven.
Wat dit onderzoek extra interessant maakt, is dat het niet uitsluitend over geheugen gaat. De onderzoekers zagen ook verschillen in een gebied dat minder bekend is bij het grote publiek: de anterior midcingulate cortex.
Dit hersengebied speelt een rol bij aandacht, motivatie, doorzettingsvermogen en executieve functies. Het helpt je om bij moeilijke taken vol te houden. Om niet af te haken wanneer iets complex wordt.
In eerdere studies werd dit gebied bij super-agers consequent dikker aangetroffen dan bij andere ouderen. De onderzoekers spreken zelfs van een ‘tenacious brain’. Een vasthoudend brein.
Het suggereert dat scherp ouder worden niet alleen gaat over onthouden, maar ook over betrokken blijven. Over moeite blijven doen. Over cognitieve veerkracht.
Zijn super-agers zo geboren? Of hebben ze iets gedaan wat anderen niet deden?
Het antwoord is waarschijnlijk een combinatie. Genetica speelt een rol, maar zeker niet allesbepalend. En precies daar ligt de hoopvolle kant van dit onderzoek.
Touroutoglou en haar collega’s zijn inmiddels gestart met een klinische studie waarin ze proberen deze veerkracht te stimuleren bij gewone ouderen. Met niet-invasieve hersenstimulatie richten ze zich op de anterior midcingulate cortex, in de hoop neuroplasticiteit te bevorderen.
Voor en na de stimulatie worden deelnemers uitgebreid getest en gescand. De vraag is niet of iedereen een super-ager kan worden, maar of het mogelijk is om geheugen en cognitieve functies langer te behouden en de gebruikelijke achteruitgang af te remmen.
Dit onderzoek vertelt geen simpel verhaal met snelle oplossingen. Het bevestigt wel iets fundamenteels. Ouder worden is geen vaststaand script. Het brein blijft veranderlijk. Veerkracht is geen mythe.
Super-agers zijn zeldzaam, maar ze laten zien wat mogelijk is. Dat scherpte, aandacht en geheugen niet automatisch verdwijnen met de jaren. Dat ouder worden niet alleen verlies is, maar ook potentieel.
Misschien is dat wel de belangrijkste les. Niet dat we allemaal uitzonderlijk moeten worden, maar dat we het idee mogen loslaten dat mentale achteruitgang onvermijdelijk is.
Zoals Sophocles het eeuwen geleden al formuleerde:
Wat als ik ouder ben geworden? Mijn kracht is niet mee verouderd.
Bron
Dit artikel is gebaseerd op een interview van Alvin Powell met Alexandra Touroutoglou, gepubliceerd in Harvard Gazette op 21 januari 2022, in samenwerking met onderzoekers van Harvard Medical School en Massachusetts General Hospital.