Er zijn mensen die een restaurant openen. En er zijn mensen die een stad een nieuw decor geven—een lichtplan, een kleur op de muur, een soort rumoer dat je bijna “thuis” kunt noemen. Keith McNally behoort tot die tweede categorie: de Londenaar die in 1975 naar New York verhuisde en vervolgens, met een zeldzame combinatie van smaak, koppigheid en theatrale timing, een reeks plekken bouwde die inmiddels aanvoelen als hoofdstukken uit het stadsgeheugen.Zijn memoires, I Regret Almost Everything (Gallery Books/Simon & Schuster; verschenen in mei 2025), doen iets slims: ze presenteren zich als een boek vol spijt, maar lezen vooral als een handleiding in hoe je een leven bij elkaar raapt uit mislukkingen, liefdes, driftbuien, esthetische obsessies—en uiteindelijk ook uit herstel. De man achter de kamers waarin New York zichzelf werd McNally’s cv is bijna een wandelroute. The Odeon (zijn eerste, geopend in 1980), later onder meer Café Luxembourg, Nell’s, Balthazar, Pastis, Morandi en Minetta Tavern—namen die niet alleen iets zeggen over eten, maar over een bepaald soort stadsleven: laat, luid, verfijnd zonder stijf te zijn. Wat McNally onderscheidt, is dat hij altijd meer leek te ontwerpen dan alleen een menukaart. In een bespreking merkt The New Yorker bijvoorbeeld op dat zijn memoires niet uitblinken in culinaire openbaringen, maar wel in “muren”: kleuren, texturen, ruimtes—de atmosfeer als hoofdgerecht. Dat past: McNally’s restaurants zijn vaak plekken waar je niet alleen gaat eten, maar ook even iemand anders kunt zijn. Een stem die eerst verdween—en toen terugkwam op papier Het boek krijgt extra gewicht door wat er in 2016 gebeurde: McNally kreeg een beroerte (links in de hersenen), waardoor spreken moeilijk werd. Hij schreef later openlijk over dat verlies aan vloeiendheid. Verschillende interviews rond het boek laten zien hoezeer die breuklijn het verhaal structureert: vóór en na, de oude bravoure en het nieuwe, moeizamere tempo. In The Paris Review wordt het schrijven bijna neergezet als een reddingsboei: een manier om, terwijl het lichaam tegenstribbelt, toch weer regie te nemen over je eigen verhaal—en over iets praktisch en onmogelijk groots, zoals het heropenen van Pastis in 2019. Waarom dit boek meer is dan “celebrity gossip” Natuurlijk is er reuring. McNally is ook de restaurateur die, mede door zijn Instagram-persona, publiekelijk ruzies en restaurantdrama’s niet schuwt. In 2022 ging hij viraal met een conflict rond het gedrag van een bekende gast (James Corden) — het soort anekdote dat laat zien hoe hij macht, etiquette en rechtvaardigheid graag als toneelstuk opvoert. Maar wie het boek alleen dáárop afrekent, mist het interessantere onderwerp: schaamte en ambitie als brandstof. In een interview vertelt McNally dat het schrijven hem door een donkere periode hielp, en hij reflecteert met opvallende eerlijkheid op relaties, misstappen en de prijs van een leven dat altijd “aan” staat. Een recensie in The Brooklyn Rail wijst er bovendien op dat McNally zijn beroerte gebruikt als dramatische ruggengraat, en dat volgers van zijn Instagram sommige anekdotes zullen herkennen—alsof hij zijn publieke versie nu herschikt tot literair bouwwerk. De kern: spijt als stijlmiddel De titel, I Regret Almost Everything, klinkt als een knipoog—maar werkt vooral als een schrijftechniek. Spijt wordt hier geen zelfkastijding, maar een manier om een leven niet glad te strijken. McNally toont hoe je tegelijk succesvol en onzeker kunt zijn; hoe je iets iconisch kunt bouwen en toch wakker ligt van details die niemand ziet. En misschien is dat de reden dat dit boek (zelfs voor lezers die niets met restaurants hebben) blijft hangen: omdat het in de kern gaat over een herkenbare, menselijke vraag. Wat blijft er over van je identiteit als je lichaam, je stem of je vanzelfsprekendheid je ineens in de steek laat? McNally’s antwoord is rommelig, grappig, soms pijnlijk, vaak ijdel—en juist daardoor overtuigend. Als je dit leest in de derde levensfase (of ernaartoe), is er nog een extra laag: het boek laat zien dat opnieuw beginnen niet altijd een “fresh start” is met een strik erom, maar soms een herbouw met littekens. En dat je daar, tegen de verwachting in, zelfs stijl uit kunt halen.

Zijn memoires, I Regret Almost Everything (Gallery Books/Simon & Schuster; verschenen in mei 2025), doen iets slims: ze presenteren zich als een boek vol spijt, maar lezen vooral als een handleiding in hoe je een leven bij elkaar raapt uit mislukkingen, liefdes, driftbuien, esthetische obsessies—en uiteindelijk ook uit herstel.
McNally’s cv is bijna een wandelroute. The Odeon (zijn eerste, geopend in 1980), later onder meer Café Luxembourg, Nell’s, Balthazar, Pastis, Morandi en Minetta Tavern—namen die niet alleen iets zeggen over eten, maar over een bepaald soort stadsleven: laat, luid, verfijnd zonder stijf te zijn.
Wat McNally onderscheidt, is dat hij altijd meer leek te ontwerpen dan alleen een menukaart. In een bespreking merkt The New Yorker bijvoorbeeld op dat zijn memoires niet uitblinken in culinaire openbaringen, maar wel in “muren”: kleuren, texturen, ruimtes—de atmosfeer als hoofdgerecht. Dat past: McNally’s restaurants zijn vaak plekken waar je niet alleen gaat eten, maar ook even iemand anders kunt zijn.
Het boek krijgt extra gewicht door wat er in 2016 gebeurde: McNally kreeg een beroerte (links in de hersenen), waardoor spreken moeilijk werd. Hij schreef later openlijk over dat verlies aan vloeiendheid. Verschillende interviews rond het boek laten zien hoezeer die breuklijn het verhaal structureert: vóór en na, de oude bravoure en het nieuwe, moeizamere tempo.
In The Paris Review wordt het schrijven bijna neergezet als een reddingsboei: een manier om, terwijl het lichaam tegenstribbelt, toch weer regie te nemen over je eigen verhaal en over iets praktisch en onmogelijk groots, zoals het heropenen van Pastis in 2019.
Natuurlijk is er reuring. McNally is ook de restaurateur die, mede door zijn Instagram-persona, publiekelijk ruzies en restaurantdrama’s niet schuwt. In 2022 ging hij viraal met een conflict rond het gedrag van een bekende gast (James Corden) — het soort anekdote dat laat zien hoe hij macht, etiquette en rechtvaardigheid graag als toneelstuk opvoert.
Maar wie het boek alleen dáárop afrekent, mist het interessantere onderwerp: schaamte en ambitie als brandstof. In een interview vertelt McNally dat het schrijven hem door een donkere periode hielp, en hij reflecteert met opvallende eerlijkheid op relaties, misstappen en de prijs van een leven dat altijd “aan” staat. Een recensie in The Brooklyn Rail wijst er bovendien op dat McNally zijn beroerte gebruikt als dramatische ruggengraat, en dat volgers van zijn Instagram sommige anekdotes zullen herkennen—alsof hij zijn publieke versie nu herschikt tot literair bouwwerk.
De titel, I Regret Almost Everything, klinkt als een knipoog—maar werkt vooral als een schrijftechniek. Spijt wordt hier geen zelfkastijding, maar een manier om een leven niet glad te strijken. McNally toont hoe je tegelijk succesvol en onzeker kunt zijn; hoe je iets iconisch kunt bouwen en toch wakker ligt van details die niemand ziet.
En misschien is dat de reden dat dit boek (zelfs voor lezers die niets met restaurants hebben) blijft hangen: omdat het in de kern gaat over een herkenbare, menselijke vraag. Wat blijft er over van je identiteit als je lichaam, je stem of je vanzelfsprekendheid je ineens in de steek laat? McNally’s antwoord is rommelig, grappig, soms pijnlijk, vaak ijdel—en juist daardoor overtuigend.
Als je dit leest in de derde levensfase (of ernaartoe), is er nog een extra laag: het boek laat zien dat opnieuw beginnen niet altijd een “fresh start” is met een strik erom, maar soms een herbouw met littekens. En dat je daar, tegen de verwachting in, zelfs stijl uit kunt halen.