De geschiedenis van technologie is een geschiedenis van ambivalente verwachtingen. Elke grote uitvinding – van stoommachine tot internet – belooft vooruitgang en roept tegelijk angst op voor ontwrichting. Kunstmatige intelligentie past naadloos in die traditie. De technologie die in enkele jaren tijd van academisch experiment tot alledaagse assistent is uitgegroeid, dwingt tot fundamentele vragen: wat betekent menselijke arbeid nog wanneer machines schrijven, programmeren en ontwerpen? En wat gebeurt er wanneer computers niet alleen hulpmiddelen zijn, maar besluitvormers?

Die spanning vormt het vertrekpunt van de documentaire The AI Doc: Or How I Became an Apocaloptimist (2026), van regisseurs Daniel Roher en Charlie Tyrell. In de film probeert Roher – Oscarwinnaar voor zijn documentaire Navalny – te begrijpen wat de razendsnelle opkomst van AI betekent voor de wereld waarin zijn toekomstige kind zal opgroeien.
De film is daarmee geen technische uitleg, maar eerder een zoektocht: hoe moet een leek zich verhouden tot een technologie die door sommigen wordt gezien als de grootste uitvinding sinds elektriciteit – en door anderen als een existentiële bedreiging?
De titel introduceert een nieuw woord: apocaloptimist. Het begrip combineert twee ogenschijnlijk tegengestelde emoties. Aan de ene kant het apocalyptische denken dat AI uiteindelijk de menselijke controle zou kunnen overstijgen; aan de andere kant het optimisme dat dezelfde technologie ongekende vooruitgang kan brengen.
Die paradox staat centraal in het huidige AI-debat. Veel onderzoekers beschouwen de ontwikkeling van kunstmatige algemene intelligentie (AGI) – systemen die zelfstandig kunnen redeneren en leren – als een tweesnijdend zwaard. De technologie kan enorme wetenschappelijke en economische mogelijkheden openen, maar ook risico’s creëren die moeilijk te beheersen zijn.
Roher positioneert zichzelf in het midden van dit spectrum. Als aanstaande vader spreekt hij met wetenschappers, tech-ondernemers en critici om de vraag te beantwoorden die steeds vaker opduikt in publieke discussies: is dit een moment om enthousiast te zijn, of juist voorzichtig?
De documentaire bouwt voort op gesprekken met prominente stemmen uit de AI-wereld. Onder de geïnterviewden bevinden zich onder meer OpenAI-topman Sam Altman en Anthropic-onderzoekers, maar ook critici die wijzen op de gevaren van ongecontroleerde technologische ontwikkeling.
Dat levert een caleidoscoop van perspectieven op. Sommige gesprekspartners schetsen een toekomst waarin AI medische doorbraken, efficiëntere energievoorziening en gepersonaliseerde gezondheidszorg mogelijk maakt. Anderen waarschuwen voor nieuwe vormen van surveillance, massale desinformatie en economische ongelijkheid.
De film volgt daarbij een persoonlijke structuur: in vier fasen verschuift Rohers houding van angst naar voorzichtig optimisme. Aanvankelijk domineren de doemscenario’s – het idee dat machines ooit onafhankelijk van menselijke belangen zouden kunnen handelen. Later verschuift de toon naar pragmatisme: AI is in essentie een product van menselijke keuzes, en dus ook van menselijke verantwoordelijkheid.
Toch laat de documentaire ook zien hoe moeilijk het is om gelijke tred te houden met technologische ontwikkelingen. AI-systemen evolueren zo snel dat analyses al verouderd kunnen zijn voordat ze het publiek bereiken. Zelfs de film erkent dat gesprekken die tijdens de opnames actueel waren, bij de première mogelijk alweer achterhaald zijn.
Critici merken bovendien op dat de documentaire soms blijft steken tussen fascinatie en kritiek. Hoewel het project toegang krijgt tot invloedrijke figuren in de sector, zou het niet altijd diep genoeg ingaan op concrete maatschappelijke gevolgen, zoals de impact op werk, creativiteit en geopolitieke machtsverhoudingen.
Die spanning weerspiegelt overigens precies het probleem van het AI-debat zelf: het is een discussie die vaak wordt gevoerd tussen speculatie en werkelijkheid.
Wat de film uiteindelijk blootlegt, is dat AI geen puur technisch vraagstuk is. Het gaat niet alleen om algoritmen en rekenkracht, maar om waarden. Wie bepaalt hoe systemen worden gebruikt? Wie profiteert van de economische opbrengsten? En wie draagt de risico’s?
Door het verhaal te vertellen vanuit een persoonlijke angst – het ouderschap – verschuift de discussie van abstracte toekomstscenario’s naar een herkenbare menselijke vraag: in wat voor wereld willen we leven?
In die zin is The AI Doc minder een antwoord dan een momentopname. De documentaire probeert grip te krijgen op een technologie die zich nog midden in haar vormingsfase bevindt. Misschien is dat ook de enige mogelijke houding tegenover AI: niet puur optimistisch, niet uitsluitend pessimistisch, maar iets daartussenin.
Een houding die Roher samenvat in een nieuw woord: apocaloptimisme.
AI is inmiddels onderdeel van het dagelijks leven van veel studenten en jonge professionals – ook van onze lezers. Daarom zijn we benieuwd naar jullie ervaringen.
Stuur een mail naar redactie@proudies.nl en laat het ons weten!