Hoe levendig is de schilderkunst anno 2026? In het Dordrechts Museum geeft Kunstprijs De Scheffer 2026 daar drie overtuigend verschillende antwoorden op. Faria van Creij-Callender, Ricardo van Eyk en Lorian Gwynn bewegen zich ieder in een eigen beeldwereld, van intiem magisch realisme tot industrieel materiaalonderzoek en hallucinerende figuratie. Van Creij-Callender werd tijdens de opening uitgeroepen tot winnaar van de tweejaarlijkse kunstprijs. De tentoonstelling is nog tot en met 23 augustus te zien.

Schilderij van Faria van Creij-Callender
De Schefferprijs is bedoeld voor schilders tot en met 35 jaar en wordt iedere twee jaar georganiseerd door de Vereniging Dordrechts Museum. Het is nadrukkelijk meer dan een wedstrijd: de prijs wil kunstenaars zichtbaar maken op een moment dat hun loopbaan zich snel ontwikkelt en tegelijkertijd laten zien welke nieuwe richtingen de schilderkunst opgaat. Voor de editie van 2026 koos de jury uit 65 inzendingen drie kunstenaars: Faria van Creij-Callender, Ricardo van Eyk en Lorian Gwynn.
Daarmee is De Scheffer 2026 bijna een compacte staalkaart van wat hedendaagse schilderkunst kan zijn. De drie genomineerden zoeken het niet in één gemeenschappelijke stijl. Integendeel: juist de grote verschillen maken de tentoonstelling interessant. Bij de een wordt het doek een ruimte voor herinneringen en identiteit, bij de ander bijna een bouwplaats, terwijl de derde het schilderij verandert in een onrustig toneel van lichamen, kleuren en verdwijnende beelden.
De winnaar, Faria van Creij-Callender (Amsterdam, 1998), bouwt haar schilderijen op als werelden waarin werkelijkheid, herinnering en verbeelding moeiteloos in elkaar overlopen. Heldere kleuren, interieurs, tuinen en vrouwelijke figuren keren terug, evenals ramen, spiegels, medaillons en afbeeldingen binnen de afbeelding. Zo ontstaat voortdurend het gevoel dat er achter het zichtbare schilderij nog een tweede werkelijkheid schuilgaat.
Dat spel met binnen en buiten sluit nauw aan bij haar onderwerpen. Familiegeschiedenis, identiteit, culturele achtergronden en persoonlijke herinneringen worden niet letterlijk uitgelegd, maar in een bijna magisch-realistische beeldtaal met elkaar verweven. Het Dordrechts Museum toont onder meer Her and her (Haar en haar) uit 2025 en A few weeks from now (Een paar weken later) uit 2026.
De jury waardeerde vooral de manier waarop Van Creij-Callender intieme verhalen weet te verbinden met grotere onderwerpen als identiteit en vrijheid. Haar schilderijen zijn volgens de jury tegelijk sierlijk en krachtig en creëren een poëtische wereld vol mogelijkheden en verwachtingen.
De prijs komt bovendien op een moment waarop haar carrière al duidelijk in beweging is. Van Creij-Callender studeerde van 2019 tot 2023 schilderkunst en grafiek aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag en ontving in 2024 ook de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst.
Aan het winnen van De Scheffer is een aankoop verbonden: de Vereniging Dordrechts Museum koopt met een budget van €10.000 een werk van Van Creij-Callender aan voor de collectie van het museum. Zo krijgt de prijs een blijvend vervolg, ook nadat de tentoonstelling is afgelopen.
Wie vanuit de kleurrijke, figuratieve wereld van Van Creij-Callender naar Ricardo van Eyk (Utrecht, 1993) loopt, belandt bijna in een ander medium. Van Eyk noemt zichzelf schilder, maar zijn gereedschapskist houdt bepaald niet op bij verf en kwasten.
Hij gebruikt onder meer meubelvernis, parketlak, gaas en industriële gereedschappen. Met slijptollen worden sporen in oppervlakken getrokken; verf wordt aangebracht, weggeschuurd en opnieuw opgebouwd. In de tentoonstelling is onder meer zijn werk Century (Eeuw) uit 2024 opgenomen.
Zijn inspiratie komt voor een belangrijk deel uit de stad. Beschadigde gebouwen, verweerde oppervlakken, geïmproviseerde reparaties en sporen van menselijk gebruik vormen materiaal voor een abstracte beeldtaal. Terugkerende rasters kunnen doen denken aan wegen, plattegronden of gevels van flatgebouwen, maar functioneren tegelijkertijd als autonome geometrische vormen.
Dat levert een interessant spanningsveld op: Van Eyks schilderijen kunnen stoer en industrieel ogen, terwijl gaas, reflecties en lichtwerking ze tegelijkertijd iets kwetsbaars geven. Hij laat zien dat schilderkunst niet per se begint bij de vraag wat zal ik schilderen?, maar ook bij wat kan een schilderij eigenlijk zijn?
Weer anders is het werk van Lorian Gwynn (Utrecht, 2001). Waar Van Eyk de grenzen van het schilderij via materiaal onderzoekt, laat Gwynn de verf zelf bijna de controle overnemen.
Haar doeken zijn druk, lichtgevend en soms onheilspellend. Figuren duiken op tussen rookachtige kleurvelden, vegen en druipende verf en lijken even gemakkelijk weer in het beeld op te lossen. Volgens het museum ontstaat zo een bijna hallucinerend universum waarin kleur, vuur en menselijke aanwezigheid door elkaar heen bewegen.
Toch gaat het niet alleen om visueel spektakel. Gwynn gebruikt vrienden, familieleden, ontmoetingen en herinneringen als vertrekpunt voor haar schilderijen. In groepsportretten probeert ze geen fotografisch bevroren moment vast te leggen: personages verschijnen en verdwijnen, zoals ook herinneringen voortdurend veranderen wanneer we erop terugkijken. Haar monumentale Het Orkest van Fluisterende Gebaren uit 2025 is in Dordrecht te zien.
Gwynn studeerde in 2023 af aan HKU en vervolgde haar ontwikkeling bij De Ateliers in Amsterdam. In 2024 ontving ze de Buning Brongers Prijs en in 2026 ook de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst.
Hoewel De Scheffer nadrukkelijk naar de toekomst kijkt, heeft de prijs historische wortels. Het Schefferfonds is ontstaan uit legaten van de in Dordrecht geboren schilder Ary Scheffer (1795–1858) en zijn familie. Scheffer maakte internationaal carrière in Parijs en wilde jong artistiek talent stimuleren. Die gedachte leeft voort in de huidige prijs.
Onder eerdere winnaars bevinden zich Raquel van Haver, Susanna Inglada, Niek Hendrix en Abul Hisham. Hun werk werd eveneens aan de museumcollectie toegevoegd. Zo fungeert De Scheffer niet alleen als momentopname van jong talent, maar bouwt het Dordrechts Museum via de prijs tegelijkertijd aan een groeiend overzicht van hedendaagse schilderkunst.
Juist doordat Van Creij-Callender, Van Eyk en Gwynn zo weinig op elkaar lijken, werkt de tentoonstelling. Er wordt geen poging gedaan één trend tot winnaar van de hedendaagse schilderkunst uit te roepen. Bij Van Creij-Callender is het schilderij een venster op identiteit en herinnering. Bij Van Eyk wordt het een object waarop de fysieke wereld zijn sporen achterlaat. Bij Gwynn is het een plek waar mensen, verf en herinneringen voortdurend van vorm veranderen.
De Scheffer 2026 toont daarmee vooral dat jonge schilderkunst zich moeilijk laat vastzetten. En misschien is precies dat het overtuigendste argument om deze drie kunstenaars samen te brengen.
Kunstprijs De Scheffer 2026 is te zien tot en met 23 augustus 2026 in het Dordrechts Museum, Museumstraat 40, Dordrecht. Het museum is dinsdag tot en met zondag geopend van 11.00 tot 17.00 uur. De reguliere entree voor volwassenen bedraagt momenteel €17; bezoekers tot en met 18 jaar hebben gratis toegang.