Olivier Assayas verfilmde Giuliano da Empoli’s roman over een fictieve adviseur van Vladimir Poetin. Het resultaat is een stijlvolle, ambitieuze politieke film — maar ook een problematische: macht wordt teruggebracht tot persoonlijkheden, propaganda tot slimme psychologie en historische gruwel tot anekdote.

Er zijn films die je verlaten met het gevoel dat je iets hebt begrepen. En er zijn films die vooral de illusie wekken dat je iets hebt begrepen. The Wizard of the Kremlin, de nieuwe film van Olivier Assayas, beweegt gevaarlijk dicht langs die tweede categorie. De film wil ons meenemen naar het hart van de moderne Russische macht: de post-Sovjet-chaos, de opkomst van Vladimir Poetin, de oligarchen, de spindoctors, de televisie, de leugen als staatsinstrument. Maar telkens wanneer de film een grote politieke analyse lijkt te openen, trekt hij zich terug in de vertrouwde intimiteit van karakterstudie, salonscène en machiavellistische fluistertoon.
Assayas baseerde zijn film op Le mage du Kremlin, de succesvolle roman van Giuliano da Empoli uit 2022. Die roman won de Grand Prix du roman de l’Académie française en haalde de finale van de Prix Goncourt. Centraal staat Vadim Baranov, een fictieve figuur die duidelijk is geïnspireerd op Vladislav Surkov, de voormalige Kremlin-strateeg die vaak is omschreven als een van de architecten van Poetins “managed democracy” en van het ideologische begrip “soevereine democratie”.
In de film wordt Baranov gespeeld door Paul Dano. Jude Law vertolkt Poetin. Verder zijn onder anderen Alicia Vikander, Jeffrey Wright, Tom Sturridge en Will Keen te zien. De film ging in première in de hoofdcompetitie van het filmfestival van Venetië in 2025 en is een Engelstalige Franse productie van onder meer Gaumont, Curiosa Films en France 2 Cinéma. De officiële festivalinformatie vermeldt Olivier Assayas als regisseur, Emmanuel Carrère als co-scenarist en een speelduur van 156 minuten.
Het uitgangspunt is verleidelijk. Rusland, begin jaren negentig: de Sovjet-Unie is ingestort, de oude zekerheden zijn verdwenen, het kapitalisme komt binnen als een stormram. In die chaos beweegt Vadim Baranov zich van de kunstwereld naar televisie, van televisie naar politiek, en uiteindelijk naar de binnenkamers van het Kremlin. Hij wordt de man die begrijpt dat moderne macht niet alleen leunt op geweld, maar ook op beeldvorming, verwarring, entertainment en cynisme.
Dat is een sterk uitgangspunt omdat het iets wezenlijks raakt aan de politieke cultuur van de afgelopen decennia. Autoritaire macht verkoopt zichzelf niet meer altijd als ideologie in de oude zin van het woord. Zij verschijnt als spektakel, als permanente crisis, als “alternatief verhaal”, als ironie, als theater. De waarheid hoeft niet vervangen te worden door één grote leugen; zij kan ook worden verzwakt door duizend concurrerende versies van de werkelijkheid.
Assayas begrijpt dat visueel en ritmisch goed. De film heeft de koele elegantie die we van hem kennen. Vergaderzalen, gangen, hotelkamers en televisiestudio’s worden plekken waar geschiedenis niet wordt beleefd, maar geregisseerd. Macht verschijnt als mise-en-scène. Mensen verdwijnen achter schermen, dossiers, beveiligers, glaswanden en camera’s. Er is voortdurend het gevoel dat Rusland niet alleen bestuurd wordt, maar gemonteerd.
Toch zit precies daar ook het probleem. De film laat macht zien als een vorm van intellectueel spel. Baranov is niet zomaar een bureaucraat; hij is een kunstenaar van de manipulatie. Hij denkt in concepten, symbolen, frames. Daardoor krijgt de film iets verleidelijks: het kwaad wordt slim, stijlvol, bijna literair. We kijken naar de architecten van de leugen, maar te weinig naar degenen die onder die leugen moeten leven.
Veel aandacht ging vooraf uit naar Jude Law als Vladimir Poetin. Begrijpelijk: het is een beladen rol. Law speelt Poetin niet als karikatuur. Geen groot gebaar, geen makkelijke imitatie, geen grotesk accent. Zijn Poetin is beheerst, kaal, ingehouden en kil. Volgens AP benadrukte Law in Venetië dat de film niet bedoeld was als provocatie, maar als een poging om een complexe figuur en politieke ontwikkeling te benaderen.
Dat levert momenten op die werken. Law geeft Poetin een soort bureaucratische dreiging: iemand die weinig zegt omdat hij gewend is dat anderen de stilte voor hem invullen. Zijn aanwezigheid verandert de temperatuur van een scène. Waar Baranov redeneert, observeert Poetin. Waar anderen spelen, wacht hij.
Maar de film heeft ook last van die beheersing. Poetin blijft een figuur van koude fascinatie. Hij wordt niet vergoelijkt, maar wel esthetisch afgerond. De blik van de film is te vaak die van de binnenkamer: hoe kwam deze man aan de macht, wie onderschatte hem, welke cynische elites maakten hem mogelijk? Dat zijn relevante vragen. Maar de film lijkt minder geïnteresseerd in de maatschappelijke gevolgen van die macht: oorlog, repressie, angst, verdwijning, ballingschap, vernietiging.
Richard Brody formuleerde in The New Yorker een scherpe kritiek: de film reduceert politiek tot persoonlijkheden en wreedheden tot anekdotes. Zijn bezwaar is dat Assayas wel veel historische figuren en gebeurtenissen oproept, maar te weinig werkelijk politieke analyse biedt. De film is volgens hem vooral bezig met strategie, intrige en karakter, niet met de ideologische en sociale krachten die autoritarisme mogelijk maken.
Dat is een terechte waarschuwing. Wie de film ziet zonder veel voorkennis, kan het gevoel krijgen dat de geschiedenis van Rusland vooral werd bepaald door een handvol briljante, cynische mannen in dure kamers. Dat is dramatisch overzichtelijk, maar politiek te mager.
De titel verwijst niet naar Poetin, maar naar de man naast hem: Baranov, de “wizard”, de magiër, de manipulator. Daarmee sluit de film aan bij de mythe rond Vladislav Surkov. Surkov was jarenlang een invloedrijke figuur in de Russische presidentiële administratie. Hij werd geassocieerd met politieke technologie, gecontroleerde oppositie, staatsmedia en het idee dat democratie in Rusland “soeverein” moest zijn: democratisch genoemd, maar niet toetsbaar aan westerse liberale normen. Carnegie omschreef “soevereine democratie” al in 2006 als een Kremlinbegrip met twee boodschappen: Rusland is democratisch, en die claim moet zonder inmenging van buitenaf worden geaccepteerd.
Dat idee is filmisch aantrekkelijk. De spindoctor als illusionist. De politiek als toneelstuk. De burger als publiek. De waarheid als decorstuk dat naar behoefte kan worden verschoven. Maar de aantrekkelijkheid van dat beeld is ook riskant. Want zodra propaganda wordt voorgesteld als magie, krijgt de propagandist iets bovennatuurlijks. Hij wordt interessanter dan zijn slachtoffers. Slimmer dan zijn tegenstanders. Bijna bewonderenswaardig in zijn cynisme.
Assayas probeert dat te vermijden door Baranov afstandelijk en melancholisch te maken. Paul Dano speelt hem niet als flamboyante schurk, maar als een gesloten man die zichzelf observeert terwijl hij moreel afdaalt. Toch blijft de film sterk afhankelijk van zijn blik. We krijgen Rusland via Baranovs herinneringen, rationalisaties en bekentenissen. Daardoor wordt de kijker opgesloten in de taal van de macht zelf.
Dat kan een bewuste keuze zijn. Maar dan moet een film die taal ook ondermijnen. The Wizard of the Kremlin doet dat onvoldoende. De film toont de leegte van het cynisme, maar hij doorbreekt de betovering ervan niet helemaal.
De film bestrijkt een grote periode: van de post-Sovjet-jaren tot de consolidatie van Poetins macht. Volgens AP loopt het verhaal van de chaotische jaren negentig tot 2014 en gebruikt het Baranov als fictieve gids door Poetins politieke opkomst. Andere recensies wijzen erop dat de film tal van historische momenten en figuren oproept: oligarchen, opposanten, mediaoorlogen, internationale crises, de wording van een autoritair systeem.
Maar veel van die geschiedenis blijft illustratie. Gebeurtenissen komen voorbij als hoofdstukken in een luxe politieke samenvatting. De film weet dat de geschiedenis zwaar is, maar hij laat dat gewicht niet altijd voelen. Atrociteiten worden markers in een carrièreverhaal. Politieke catastrofes worden momenten waarop Baranov weer iets leert over macht, loyaliteit of controle.
Dat is een klassiek probleem bij films over autoritaire regimes die worden verteld vanuit de top. De daderomgeving is dramatisch overzichtelijk: duidelijke belangen, geheime gesprekken, morele compromissen. Maar de samenleving buiten beeld wordt al snel abstract. Burgers zijn massa, opposanten zijn functies, oorlog is achtergrond, repressie is sfeer.
Daardoor raakt de film soms verstrikt in het prestige van zijn eigen onderwerp. Hij wil een grote film zijn over grote macht. Maar juist bij grote macht is de vraag: waar blijft de menselijke schaal?
Voor een publiek in West-Europa is The Wizard of the Kremlin extra interessant omdat de film inspeelt op een begrijpelijke behoefte: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hoe werd Poetin Poetin? Hoe veranderde Rusland in het land dat Oekraïne binnenviel, oppositie monddood maakte en waarheid tot geopolitiek wapen smeedde?
Die behoefte aan verklaring is legitiem. Maar er bestaat ook een gevaarlijke vorm van begrijpen: begrijpen als esthetische consumptie. We kijken naar de mechanismen van macht en voelen ons daarna wijzer, terwijl we misschien vooral een elegante versie van de macht hebben gezien. Het kwaad wordt dan niet onschadelijk gemaakt, maar wel verteerbaar.
De roman van Da Empoli werd mede populair omdat hij een sleutel leek te bieden tot het raadsel Poetin. Le Monde meldde dat het boek breed werd vertaald en honderdduizenden exemplaren verkocht; tegelijk klonk er kritiek dat boek en film fictie en politieke interpretatie gevaarlijk dicht op elkaar leggen. Juist dat mengsel maakt The Wizard of the Kremlin aantrekkelijk én dubieus. De film zegt: dit is fictie. Maar hij gebruikt echte namen, echte trauma’s en herkenbare historische lijnen. Daardoor krijgt fictie het gezag van onthulling.
Dat is niet verboden. Kunst mag speculeren. Maar bij actuele politieke geschiedenis — zeker bij een regime dat nog altijd oorlog voert en repressie exporteert — is de vraag niet alleen of een film meeslepend is. De vraag is ook: welke verbeelding van macht maakt hij aannemelijk?
Olivier Assayas is geen oppervlakkige filmmaker. Zijn beste werk onderzoekt precies de plekken waar persoonlijke verlangens, media, kapitalisme en politieke krachten elkaar raken. In Carlos liet hij al zien hoe revolutionaire politiek, terrorisme, ego en internationale netwerken in elkaar kunnen overlopen. Ook in The Wizard of the Kremlin is hij zichtbaar geïnteresseerd in de infrastructuur van macht: wie schrijft de beelden, wie beheert de verhalen, wie bepaalt wat het volk denkt te zien?
Daarom is het jammer dat de film zo vaak kiest voor uitleg. Personages praten veel over macht, waarheid, manipulatie en geschiedenis. De film vertrouwt niet altijd op zijn eigen beelden. Hij wil niet alleen laten zien hoe propaganda werkt, maar het ook voortdurend formuleren. Dat geeft sommige scènes een essayistische kwaliteit, maar ook iets schools. Alsof de kijker door een bijzonder dure masterclass Kremlinologie wordt geleid.
De samenwerking met schrijver Emmanuel Carrère, die meeschreef aan het scenario, is begrijpelijk. Carrère heeft een groot talent voor het grensgebied tussen feit en fictie, tussen bekentenis en reconstructie. Maar hier versterkt die aanpak ook de dubbelzinnigheid. De film wil roman, thriller, politieke analyse en historische fresco tegelijk zijn. Daardoor wordt hij breed, maar niet altijd diep.
Alicia Vikander speelt Ksenia, de vrouw die voor Baranov een soort moreel, erotisch en emotioneel tegenwicht moet vormen. Volgens AP wordt haar personage gepositioneerd als een morele tegenstem in een door mannen gedomineerde politieke wereld. Toch blijft ook zij uiteindelijk vooral functioneren binnen Baranovs verhaal. Zij is degene die hem herinnert aan een leven buiten de macht, maar ze krijgt onvoldoende ruimte om dat leven werkelijk te belichamen.
Dat is symptomatisch. De film is zo gefascineerd door de architectuur van macht dat alles daarbuiten secundair wordt. Vrouwen, burgers, slachtoffers, opposanten: ze verschijnen als tegenbeelden, niet als volwaardige centra van ervaring. De wereld buiten het Kremlin klopt op de deur, maar de film blijft liever binnen.
Juist voor een hedendaagse kijker voelt dat als een gemiste kans. Want de ware geschiedenis van Poetins Rusland is niet alleen het verhaal van degenen die de machine bouwden. Het is ook het verhaal van degenen die door die machine werden vermalen, geïntimideerd, verdreven of gedood. Een film die dat niet werkelijk voelbaar maakt, loopt het risico de macht opnieuw het beste licht te geven.
En toch: The Wizard of the Kremlin is geen oninteressante film. Integendeel. Hij is vaak boeiend, soms scherp, goed gespeeld en gemaakt met een duidelijke intellectuele ambitie. Jude Law is fascinerend in zijn terughoudendheid. Paul Dano geeft Baranov een broze, bijna vermoeide intelligentie. De film heeft gevoel voor de absurditeit van de jaren negentig, voor de plotselinge vermenging van gangsterkapitalisme, televisie-esthetiek en staatsmacht.
Ook is het waardevol dat een Europese filmmaker probeert de wortels van hedendaags autoritarisme te verbeelden. In een tijd waarin propaganda, desinformatie en politieke theatraliteit niet alleen Russische verschijnselen zijn, heeft deze film onvermijdelijk een bredere resonantie. Assayas wil laten zien dat moderne macht niet simpelweg onderdrukt, maar ook verwart. Niet alleen censureert, maar ook produceert. Niet alleen liegt, maar een omgeving schept waarin waarheid vermoeiend wordt.
Dat inzicht is belangrijk. Maar het is niet genoeg.
The Wizard of the Kremlin wil de betovering van de macht blootleggen. Maar soms raakt de film zelf betoverd door de intelligentie van haar manipulatoren. Hij toont cynisme, maar ademt ook de luxe van cynisme. Hij veroordeelt de leugen, maar geniet van de elegantie waarmee die wordt geconstrueerd. Hij wil een film zijn over politieke verschrikking, maar blijft te vaak hangen in het portret van slimme mannen die de geschiedenis naar hun hand zetten.
Voor Proudies is dit precies waarom de film interessant is om over te praten. Niet omdat hij definitieve antwoorden geeft, maar omdat hij een grotere vraag oproept: hoe kijken we naar macht zonder haar opnieuw aantrekkelijk te maken? Hoe vertellen we over daders zonder hun mythologie te vergroten? Hoe verbeelden we propaganda zonder haar als magie te verkopen?
Assayas heeft een film gemaakt die er intelligent uitziet en vaak intelligent klinkt. Maar de leegte eronder blijft voelbaar. Misschien is dat onbedoeld het meest onthullende aan The Wizard of the Kremlin: een film over politieke illusie die zelf niet helemaal aan de illusie ontsnapt.