Een afspraak opslaan, een route uitzoeken, videobellen met een vriend: ongemerkt besteden we heel wat denkwerk uit aan apparaten. Worden onze hersenen daar gemakzuchtig van? Onderzoek onder oudere volwassenen geeft een ander beeld, al is meer schermtijd daarmee nog geen gezondheidsadvies.

Wie een telefoonnummer niet meer uit het hoofd kent, kan zich afvragen of het geheugen achteruitgaat doordat de telefoon alles bewaart. Maar zo’n alledaagse ervaring vertelt weinig over de ontwikkeling van je denkvermogen op langere termijn.
Onderzoekers Jared Benge en Michael Scullin brachten in 2025 studies bijeen over digitaal gebruik en cognitieve veroudering. Voor hun statistische analyse gebruikten ze 57 onderzoeken met samen ruim 411.000 volwassenen. De gemiddelde leeftijd aan het begin van de onderzoeken was ongeveer 69 jaar.
Het patroon was opvallend: gebruik van digitale technologie hing samen met minder cognitieve beperkingen en een tragere cognitieve achteruitgang. Dat verband bleef bestaan wanneer onderzoekers rekening hielden met verschillende achtergrondkenmerken.
Toch kun je hieruit niet concluderen dat een smartphone je geheugen beschermt. De studies waren observationeel. Mensen die cognitief beter functioneren, kunnen bijvoorbeeld gemakkelijker digitale apparaten blijven gebruiken. Oorzaak en gevolg zijn daardoor lastig uit elkaar te halen.
Een overzichtsstudie die in september 2026 verscheen in Psychology and Aging onderzocht een andere vraag: wat gebeurt er wanneer oudere volwassenen digitale technologie of training krijgen aangeboden?
De onderzoekers vonden veertien experimentele studies, waarvan twaalf voldoende gegevens bevatten voor de gezamenlijke berekening. Alle onderzochten volwassenen boven de zestig.
Gemiddeld was er een klein positief effect op cognitieve prestaties ten opzichte van de controlegroepen. De resultaten liepen echter behoorlijk uiteen. De auteurs noemen het bewijs voorlopig en waarschuwen dat gewoon meer digitaal gebruik geen bewezen aanpak is om cognitieve achteruitgang te voorkomen. Het onderzoek biedt dus aanleiding om verder te kijken, maar geen recept voor een dagelijks aantal schermminuten.
Een route plannen vraagt iets anders van je dan gedachteloos door berichten bladeren. Bij videobellen staat contact centraal. Een digitaal fotoalbum maken vraagt om selecteren, ordenen en uitzoeken hoe het programma werkt.
Benge en Scullin bespreken verschillende mogelijke verklaringen voor het gunstige verband. Technologie kan mensen uitdagen om problemen op te lossen, sociale contacten ondersteunen en helpen bij dagelijkse handelingen. Een herinnering in je agenda kan bijvoorbeeld voorkomen dat je een afspraak mist.
Dat zijn mogelijke mechanismen, geen bewezen verklaring voor ieder gevonden verschil. Wel maken ze duidelijk waarom het woord ‘schermtijd’ weinig zegt over wat iemand daadwerkelijk doet. Een uur achter hetzelfde apparaat kan heel verschillend worden ingevuld.
Voor je eigen gebruik is een concrete wens een bruikbaarder vertrekpunt dan de belofte van hersentraining. Wil je onderweg gemakkelijker overstappen? Foto’s delen zonder twintig losse berichten te versturen? Een online lezing volgen?
Kies één toepassing en neem de tijd om die te leren. Vraag iemand om naast je te zitten terwijl je zelf de handelingen uitvoert. Noteer eventueel de stappen die je lastig vindt. Zo blijft zichtbaar wat je al beheerst en waar je nog hulp bij nodig hebt.
Er hoeft ook geen wedstrijd van te worden. Wie graag een papieren agenda gebruikt, hoeft die op grond van deze onderzoeken niet te vervangen. En wie plezier heeft in digitale fotografie, hoeft daarvoor geen gezondheidswinst te bewijzen.
De interessantste vraag aan je telefoon is misschien heel eenvoudig: wat maakt dit apparaat voor mij mogelijk?
Verder lezen