Je staat er zelden bij stil. Je schilt ’m, kookt ’m, serveert ’m en denkt verder nergens over na. De aardappel is zo vertrouwd dat hij bijna onzichtbaar wordt. Precies dát maakt hem het onderwerp van een verrassend rijke tentoonstelling: Van Gogh en de aardappel, nu te zien in Het Noordbrabants Museum. En als je eenmaal binnen bent geweest, kijk je nooit meer hetzelfde naar wat er op je bord ligt.

Je wordt meegenomen naar 1885, het Brabantse dorp Nuenen, waar Vincent van Gogh werkte aan wat later zijn eerste meesterwerk zou worden: De aardappeleters. Geen zonnebloemen, geen zuidelijke kleuren, maar donkere tinten, ruwe handen en een eenvoudige maaltijd aan tafel.
Je voelt meteen: dit is geen romantisch boerenplaatje. Van Gogh wilde geen mooie schijn ophouden. Hij wilde laten zien hoe mensen leven die letterlijk van het land komen gevormd door arbeid, aarde en herhaling. En in dat leven speelt de aardappel een hoofdrol.
Het hart van de tentoonstelling klopt rond Gordina de Groot, een jonge boerendochter uit Nuenen. Zij stond model voor studies die uiteindelijk leidden tot De aardappeleters. Je kijkt haar recht aan in een indringend portret uit 1885: een werk dat in 2024 wereldnieuws werd toen het kon worden aangekocht en behouden voor Brabant.
Wat je raakt, is hoe weinig ‘decoratief’ ze is. Geen glimlach, geen verfraaiing. Je ziet vermoeidheid, concentratie, misschien zelfs wantrouwen. Je beseft: Van Gogh schilderde haar niet als type, maar als individu. En precies daardoor wordt haar blik zo tijdloos.
Je vraagt je misschien af: waarom koos Van Gogh zo vaak voor iets dat andere schilders links lieten liggen? Citroenen glanzen, appels lonken, maar aardappels? Die zijn grauw, onregelmatig, lastig.
En juist daarom. In de tentoonstelling ontdek je dat Van Gogh de aardappel meerdere keren schilderde in stillevens. Omdat hij er alles in kwijt kon: textuur, kleurverschillen, licht en schaduw. Maar ook omdat de aardappel symbool stond voor het boerenbestaan zelf.
Je merkt hoe hij oefende, zocht, worstelde. Niet om mooi te schilderen, maar om eerlijk te zijn.
Wat deze tentoonstelling extra interessant maakt, is dat je niet blijft hangen bij één kunstenaar. Je ziet hoe andere kunstenaars in de 19de en 20ste eeuw óók inspiratie vonden in het alledaagse en hoe Van Goghs blik op eenvoud doorwerkte in latere kunst.
Je realiseert je: kunst gaat niet altijd over het uitzonderlijke. Soms gaat het juist over aandacht. Over leren kijken naar wat er altijd al was.
Als je de tentoonstelling verlaat, heb je geen lijstje feiten in je hoofd, maar een ander soort bewustzijn. Je denkt na over eenvoud. Over aandacht. Over hoe iets kleins — een aardappel, een gezicht, een tafel in schemerlicht, genoeg kan zijn om een heel verhaal te vertellen.
En misschien gebeurt het later die week, zonder dat je het plant. Je schilt een aardappel. Je voelt de ruwe schil onder je vingers. En je kijkt. Echt kijkt. Dat is wat Van Gogh je, 140 jaar later, nog steeds leert.